ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ4781
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof bevestigt onrechtmatigheid discriminatie op grond van Iraanse nationaliteit in Sanctieregeling Iran
In deze zaak stond de Sanctieregeling Iran centraal, die het verstrekken van gespecialiseerde vorming aan Iraanse onderdanen beperkt om proliferatiegevoelige activiteiten te voorkomen. De Staat stelde hoger beroep in tegen het vonnis van de rechtbank dat de regeling wegens discriminatie op grond van nationaliteit onrechtmatig verklaarde.
Het hof ging uit van de feiten vastgesteld door de rechtbank en beoordeelde de gewijzigde Sanctieregeling, die na het vonnis was aangepast. De geïntimeerden, allen met de Iraanse en Nederlandse nationaliteit, voerden aan dat de regeling hen discrimineert en hun onderwijs- en carrièremogelijkheden belemmert.
Het hof oordeelde dat toetsing van de Sanctieregeling aan het non-discriminatiebeginsel geoorloofd is, ondanks de uitvoering van een VN-Veiligheidsraadresolutie. Het onderscheid naar Iraanse nationaliteit is niet proportioneel en niet geschikt om het legitieme doel te bereiken, omdat het geen individuele risicoanalyse maakt en ook niet voorkomt dat personen van andere nationaliteiten kennis doorgeven.
De grieven van de Staat faalden, en het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank. De Staat werd veroordeeld in de proceskosten. Hiermee werd bevestigd dat de Sanctieregeling in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en onrechtmatig is jegens personen met de Iraanse nationaliteit.
Uitkomst: Het Gerechtshof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en verklaart de Sanctieregeling Iran onrechtmatig wegens discriminatie op grond van Iraanse nationaliteit.