ECLI:NL:HR:2012:BX8351
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt verbindendheid Sanctieregeling Iran 2007 ondanks discriminatiegeschil
Deze zaak betreft de toetsing van de Sanctieregeling Iran 2007, die is vastgesteld ter uitvoering van Resolutie 1737 van de VN-Veiligheidsraad, welke een kennisembargo tegen Iran beoogt. Verweerders met de Iraanse nationaliteit stelden dat de regeling discriminatoir is en in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het recht op onderwijs.
De rechtbank had de Sanctieregeling onverbindend verklaard vanwege het onrechtmatige onderscheid naar nationaliteit. Het hof bekrachtigde dit vonnis en overwoog dat de Sanctieregeling niet verplicht tot onderscheid naar nationaliteit en dat toetsing aan grondrechten mogelijk is.
De Staat stelde in cassatie dat Resolutie 1737 onderscheid naar nationaliteit vereist en dat de Sanctieregeling daarom niet aan het gelijkheidsbeginsel hoeft te voldoen. De Hoge Raad oordeelde dat de Resolutie de lidstaten vrijheid laat in de wijze van uitvoering en dat de Sanctieregeling aan grondrechten getoetst moet worden. De Staat heeft onvoldoende aangetoond dat het onderscheid noodzakelijk en proportioneel is.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde de Staat in de proceskosten. Hiermee blijft de Sanctieregeling verbindend, ondanks de erkenning van het discriminatievraagstuk, omdat de Staat niet aannemelijk heeft gemaakt dat alternatieven onvoldoende waren onderzocht of toegepast.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep van de Staat af en bevestigt de verbindendheid van de Sanctieregeling Iran 2007.