ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ6912
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- B. van Walderveen
- Th. Groeneveld
- J.J.J. Engel
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake winstafhankelijkheid van vergoeding bij geldlening en toepassing artikel 3.3 Wet IB 2001
Belanghebbende had in 2004 twee geldleningen verstrekt aan zijn voormalige assurantietussenpersoon [A], die deze gelden doorleende aan [B]. De rentevergoeding bedroeg 1% per maand en aflossing was afhankelijk van een verzoek van de schuldeiser. Na financiële problemen van [B] ontstond discussie over de kwalificatie van het verlies als ondernemingsverlies volgens artikel 3.3 Wet IB 2001.
De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van winstafhankelijkheid van de vergoeding, mede omdat de cessie van de vordering pas in 2007 plaatsvond en de brieven uit 2005 geen feiten bevatten die bij het aangaan van de overeenkomst al bekend waren. De rechtbank verwierp het beroep van belanghebbende.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat [A] als ondernemer kwalificeerde en dat de schuldvordering feitelijk als eigen vermogen functioneerde. Het Hof nam veronderstellenderwijs aan dat [A] ondernemer was, maar concludeerde dat de rentevergoeding niet winstafhankelijk was en dat de voorwaarden van de lening geen eigen vermogenkarakter hadden.
Het Hof bevestigde het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De aanslag inkomstenbelasting bleef gehandhaafd en het verlies werd niet als ondernemingsverlies erkend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting blijft gehandhaafd.