ECLI:NL:RBSGR:2010:BM1373
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verlies op geldlening niet aan te merken als verlies uit onderneming wegens ontbrekende winstafhankelijkheid
Eiser had in 2004 en 2005 meerdere geldleningen verstrekt aan [C], die deze gelden ter belegging had doorgeleend aan [D]. Door het faillissement van [D] kon [C] niet aan zijn aflossingsverplichtingen voldoen, waardoor de vorderingen van eiser waardeloos werden.
Eiser stelde dat het verlies op deze geldleningen op grond van artikel 3.3 van de Wet IB 2001 als verlies uit onderneming moest worden aangemerkt, omdat de rente feitelijk afhankelijk was van de winst van [C]. Verweerder betwistte dit standpunt.
De rechtbank oordeelde dat bij de beoordeling van winstafhankelijkheid alleen gekeken wordt naar feiten die bij het aangaan van de lening bekend waren. De latere brieven van [C] uit 2005 konden dit niet aantonen. Er was geen bewijs dat eiser en [C] de rente rechtens of feitelijk afhankelijk hadden willen maken van de winst van [C]. Daarom kon het verlies niet als verlies uit onderneming worden beschouwd.
Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting bleef in stand. De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat de rente niet winstafhankelijk was en het verlies niet als verlies uit onderneming kan worden aangemerkt.