ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ9952

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
28 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.086.152-01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 127 RvArt. 127a RvArt. 3 lid 3 Wgbz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van instantie wegens niet tijdige betaling van griffierecht in hoger beroep

Appellant heeft tijdig hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage en geïntimeerde gedagvaard. Beide partijen zijn bij advocaat verschenen. De zaak werd op 26 april 2011 aangehouden om af te wachten of appellant het griffierecht zou betalen. Volgens artikel 3 lid 3 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken moest appellant het griffierecht binnen vier weken na de eerste roldag (uiterlijk 24 mei 2011) voldoen.

Appellant heeft het griffierecht niet betaald. Het hof heeft daarom op 31 mei 2011 besloten het arrest te wijzen op basis van het griffiedossier. Geïntimeerde heeft verzocht appellant te veroordelen in de proceskosten. Het hof heeft geoordeeld dat geen omstandigheden zijn gebleken die onbillijkheid van overwegende aard zouden veroorzaken door toepassing van artikel 127 lid 2 Rv Pro.

Daarom ontslaat het hof geïntimeerde van deze instantie en veroordeelt appellant in de proceskosten van het hoger beroep, vastgesteld op € 284 voor verschotten en € 447 voor advocaatkosten. Het arrest is op 28 juni 2011 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Appellant wordt veroordeeld in de proceskosten en geïntimeerde wordt ontslagen van deze instantie wegens niet tijdige betaling van griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Zaaknummer : 200.086.152/01
Zaak/rolnummer rechtbank : 363860 HAZA 10-1398
arrest d.d. 28 juni 2011
inzake
[appellant],
wonende te Noordwijk,
appellant,
advocaat: mr. L.C. Blok te Leiden,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te Noordwijk,
geïntimeerde,
advocaat: mr. R. Charité te Katwijk.
Het geding
Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het tussen partijen gewezen vonnis van de Rechtbank 's-Gravenhage van 5 januari 2011.
Appellant heeft tijdig hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor genoemde vonnis en heeft geïntimeerde gedagvaard om op de rol voor dit hof te verschijnen.
Appellant heeft de zaak aangebracht. Voor appellant heeft zich een advocaat gesteld. Ook geïntimeerde is op die rol bij advocaat verschenen.
De zaak is op 26 april 2011 aangehouden tot de rol van 24 mei 2011 voor: Afwachten griffierecht appellant en overleggen vonnis eerste aanleg 5 januari 2011.
Appellant heeft niet binnen vier weken na de eerste roldag het griffierecht betaald.
In verband met het achterwege blijven van betaling van het griffierecht heeft het hof op 31 mei 2011 bepaald dat heden arrest wordt gewezen op basis van het griffiedossier.
Mr. R. Charité heeft bij brief van 7 juni 2011, bij het hof ingekomen op 8 juni 2011, gevraagd om een veroordeling van Wilhelmi in de proceskosten.
De motivering van de beslissing
1. De zaak is voor het eerst uitgeroepen op 26 april 2011. Volgens art. 3 lid 3 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) moet appellant ervoor zorgen dat binnen vier weken na 26 april 2011, dus uiterlijk 24 mei 2011, het griffierecht is bijgeschreven op de rekening van dit hof. Appellant heeft niet betaald.
2. Er is niet gebleken van omstandigheden als bedoeld in art. 127a lid 3 Rv., dat de toepassing van art. 127 lid 2 Rv Pro., gelet op het belang van één of meer partijen bij toegang tot de rechter zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Nu appellant niet tot betaling van het griffierecht is overgegaan, zal geïntimeerde
overeenkomstig het bepaalde in artikel 127a, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van deze instantie worden ontslagen en zal appellant worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
De beslissing
Het hof:
- ontslaat geïntimeerde van deze instantie,
- veroordeelt appellant in de proceskosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerde vastgesteld op € 284,-- voor verschotten en op € 447,-- voor salaris van de advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. Schuering, E.J. van Sandick en A.G.M. Zander en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2011.