ECLI:NL:GHSGR:2011:BR2007

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
1 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.078.914-01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Dijk
  • Dusamos
  • Van Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:431 BWArt. 1:449 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging van bewindvoering wegens onvoldoende onderbouwing opheffingsverzoek

De rechthebbende is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank die het verzoek tot opheffing van het bewind over zijn goederen heeft afgewezen. Hij stelt dat hij inmiddels in staat is zijn financiële administratie zelfstandig te voeren en dat hij, indien nodig, hulp kan krijgen van thuishulp of maatschappelijk werk.

Het hof overweegt dat op grond van artikel 1:449 lid 2 BW Pro een bewind kan worden opgeheven indien de oorzaken voor de onderbewindstelling niet langer bestaan. Volgens artikel 1:431 lid 1 BW Pro is een bewind gerechtvaardigd wanneer een meerderjarige door lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen.

Het hof oordeelt dat de rechthebbende onvoldoende heeft aangetoond dat de gronden voor het bewind zijn verdwenen. Uit stukken en zitting blijkt dat hij in het verleden impulsieve aankopen heeft gedaan die tot schulden leidden en dat hij ook tijdens het bewind bestellingen zonder toestemming deed, ondanks een beperkt inkomen. Daarom acht het hof de bescherming van het bewind nog steeds noodzakelijk en bekrachtigt het de bestreden beschikking.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het bewind en handhaaft de bewindvoering.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Uitspraak : 1 juni 2011
Zaaknummer : 200.078.914.01
Zaaknr. rechtbank : 995683 EJ VERZ 10-84662
[de man],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de rechthebbende,
advocaat mr. L. Leenders te ‘s-Gravenhage
Als belanghebbende is aangemerkt:
Bewindvoering Holland,
kantoorhoudende te ‘s-Gravenhage,
hierna te noemen: de bewindvoerder.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De rechthebbende is op 16 december 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 14 oktober 2010 van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie ‘s-Gravenhage.
De rechthebbende heeft bij brief van 21 december 2010 de gronden van zijn beroepschrift kenbaar gemaakt.
De bewindvoerder heeft op 1 februari 2011 een verweerschrift ingediend.
Van de zijde van de rechthebbende zijn bij het hof op 27 januari 2011 stukken ingekomen.
Van de zijde van de bewindvoeder zijn bij het hof op 5 april 2011 stukken ingekomen.
Op 12 mei 2011 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de rechthebbende, bijgestaan door zijn advocaat, mr. A. Orhan, waarnemend voor mr. L. Leenders, en mevrouw Bhahwaly, tolk in de Tamil taal die de eed heeft afgelegd, en namens de bewindvoerder: de heer R.W. Mensink. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking is het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind over zijn goederen afgewezen.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het ingestelde bewind over de goederen van rechthebbende.
2. De rechthebbende verzoekt het hof, opnieuw beschikkende, de bestreden beschikking te vernietigen en de bewindvoering op te heffen.
3. De bewindvoerder bestrijdt het beroep van de rechthebbende.
4. De rechthebbende stelt zich op het standpunt, althans zo begrijpt het hof het beroepschrift, dat de gronden voor een bewind niet (meer) aanwezig zijn. Hij voert daartoe aan dat hij in staat is om zijn eigen financiële administratie te doen en dat hij, voor zover hij hulp nodig heeft, gebruik kan maken van thuishulp of maatschappelijk werk.
5. Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 1:449 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek, voor zover thans van belang, de kantonrechter op verzoek van de rechthebbende een bewind kan opheffen, indien de oorzaken die tot de onderbewindstelling aanleiding hebben gegeven niet meer bestaan. Grond voor een onderbewindstelling over het vermogen of goederen van een meerderjarige is aanwezig, zo volgt uit artikel 1:431 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek, indien de meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen.
6. Het hof is van oordeel dat de rechthebbende onvoldoende heeft onderbouwd dat de gronden die aanleiding hebben gegeven tot het instellen van het bewind thans niet meer aanwezig zijn. Ook overigens ziet het hof geen aanleiding om tot opheffing van de onderbewindstelling over te gaan. Daartoe neemt het hof in aanmerking dat op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de rechthebbende in het verleden impulsieve aankopen heeft gedaan waardoor schulden zijn ontstaan. De rechthebbende heeft, naar het oordeel van het hof, onvoldoende blijk gegeven de vermogensrechtelijke gevolgen van zijn handelen thans wel te overzien. Daarnaast heeft de rechthebbende ook tijdens de bewindvoering diverse bestellingen gedaan zonder toestemming van de bewindvoerder, dit terwijl zijn inkomen deze bestellingen niet toelaat. Nu de vermogensrechtelijke gevolgen van zijn handelen met het geringe inkomen dat hij heeft zeer ingrijpend kunnen zijn, acht het hof het van belang dat de rechthebbende daartegen wordt beschermd. Het hof acht hiermee de gronden voor een onderbewindstelling nog steeds aanwezig, zodat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.
7. Mitsdien beslist het hof als volgt.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Dijk, Dusamos en Van Veen, bijgestaan door mr. Van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juni 2011.