ECLI:NL:GHSGR:2011:BR2025

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
28 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.084.214-01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 3 Wet griffierechten burgerlijke zakenArt. 127 lid 2 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 127a lid 3 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 31 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 2.3 Landelijk Procesreglement civiele dagvaardingszaken gerechtshoven
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van instantie wegens te late betaling griffierecht in hoger beroep

Appellante, Telefoongids.Com B.V., stelde hoger beroep in tegen een vonnis van de rechtbank en diende de zaak aan bij het Gerechtshof 's-Gravenhage. Volgens artikel 3 lid 3 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) moet het griffierecht binnen vier weken na de eerste roldag zijn bijgeschreven op de rekening van het hof. Hoewel appellante tijdig hoger beroep instelde en een advocaat inschakelde, betaalde zij het griffierecht niet binnen de gestelde termijn.

De zaak werd aangehouden om te wachten op betaling, maar het griffierecht werd pas acht dagen te laat bijgeschreven. Appellante voerde aan dat dit tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden, mede omdat de nota niet aangetekend was verzonden en er geen aanmaning was verstuurd. Het hof overwoog echter dat de betalingstermijn niet afhankelijk is van het verzenden of ontvangen van een nota en dat de regels van het Landelijk Procesreglement geen aanhouding voorschrijven in een incident tot schorsing.

Daarom ontsloeg het hof geïntimeerde van de instantie en veroordeelde appellante in de proceskosten van het hoger beroep. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2011 door de drie rechters en griffier.

Uitkomst: Het hof sprak ontslag van instantie uit wegens te late betaling van het griffierecht en veroordeelde appellante in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Zaaknummer: 200.084.214/01
Zaak/rolnummer rechtbank: 376486 / HAZA 10-3437
arrest d.d. 28 juni 2011
inzake
Telefoongids.Com B.V.,
statutair gevestigd te Veendam,
appellante,
advocaat: mr. T.J. van Vugt te Amsterdam,
tegen
Imtech N.V.,
statutair gevestigd te Rotterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr.drs. J.H. Hommel te Zoetermeer.
Het geding
Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het tussen partijen gewezen vonnis van de Rechtbank 's-Gravenhage van 22 december 2010 welk vonnis ex artikel 31 Rv Pro is hersteld op 2 maart 2011.
Appellante heeft tijdig hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor genoemde vonnis en heeft geïntimeerde gedagvaard om op de rol voor dit hof te verschijnen.
Appellante heeft de zaak aangebracht. Voor appellante heeft zich een advocaat gesteld. Ook geïntimeerde is op die rol bij advocaat verschenen.
De zaak is op 22 maart 2011 aangehouden tot de rol van 5 april 2011 voor: incidentele antwoordconclusie geïntimeerde/ betreft antwoord in incident tot schorsing.
Op 5 april 2011 heeft geïntimeerde een antwoordconclusie in het incident genomen en is de zaak aangehouden tot de rol van 19 april 2011 voor fourneren in het incident.
Op 19 april 2011 heeft appellante de vordering in het incident ingetrokken.
De zaak is op 19 april 2011 aangehouden tot de rol van 3 mei 2011 voor: afwachten griffierecht partijen.
Op 3 mei 2011 is vastgesteld dat appellante niet heeft betaald en geïntimeerde wel heeft betaald. De zaak is aangehouden tot de rol van 31 mei 2011 voor arrest.
Appellante heeft niet binnen vier weken na de eerste roldag het griffierecht betaald.
In verband met het achterwege blijven van betaling van het griffierecht heeft het hof op 31 mei 2011 bepaald dat heden arrest wordt gewezen op basis van het griffiedossier.
Op 6 juni 2011 heeft de advocaat van appellante een faxbrief naar het hof verzonden.
Op 7 juni 2011 heeft de advocaat van appellante een faxbrief naar het hof gezonden waarbij wordt afgezien van het geven van een mondelinge toelichting.
Op 14 juni 2011 heeft de advocaat van appellante nog een faxbrief aan het hof verzonden.
De motivering van de beslissing
1.1 Appellante heeft het volgende aangevoerd. Op de nota van het hof staat dat als "het griffierecht niet of niet tijdig is bijgeschreven, de dagvaarding in beginsel niet inhoudelijk in behandeling wordt genomen." De zaak is ten tijde van het aanbrengen van de zaak op 22 maart 2011 in het roljournaal niet aangehouden voor "afwachten betaling griffierechten", maar direct geïntroduceerd en aangehouden voor antwoordakte in het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis. Er heeft zich voor geïntimeerde een advocaat gesteld en vervolgens is door partijen gefourneerd.
1.2 Op 3 mei 2011 kwam de zaak voor "afwachten betaling griffierechten" te staan. Op die datum was het griffierecht al een week bijgeschreven. Een ontslag van instantie zou onder deze omstandigheden tot een onbillijkheid van overwegende aard leiden als bedoeld in art. 3 lid 3 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken. Door niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep zou appellante onevenredig in haar belangen worden geschaad. De nota is bij gewone post - en dus niet (ook) bij aangetekende post - verzonden, zodat de advocaat van appellante niet meer kan nagaan wanneer de nota is ontvangen. Er is geen aanmaning verzonden. Op het kantoor van de advocaat van appellante bestaat in ieder geval een procedure dat dergelijke nota's terstond worden betaald. Appellante verzoekt om geen ontslag van instantie te verlenen en alsnog arrest in het incident te wijzen.
2.1 Het hof overweegt het volgende. Appellante heeft bij de introductie van de zaak een incident geopend tot schorsing van de tenuitvoerlegging. Volgens art. 2.3 van het Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven wordt de behandeling in een dergelijk geval niet aangehouden in afwachting van de betaling van griffierecht.
2.2 De zaak is voor het eerst uitgeroepen op 22 maart 2011. Volgens art. 3 lid 3 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) moet appellante ervoor zorgen dat binnen vier weken na 22 maart 2011, dus uiterlijk 19 april 2011, het griffierecht is bijgeschreven op de rekening van dit hof. Deze betalingstermijn niet afhankelijk van de vraag of een nota is verzonden of ontvangen. Op 19 april 2011 heeft appellante haar vordering in het incident ingetrokken. Omdat de betalingstermijn van het griffierecht toen nog niet was verstreken, heeft het hof de behandeling tot 3 mei 2011 aangehouden om te controleren of het griffierecht tijdig was betaald. Het verschuldigde griffierecht is op 27 april 2011 bijgeschreven op de rekening van het hof. Dit is dus 8 dagen te laat.
2. Niet is gebleken van omstandigheden als bedoeld in art. 127a lid 3 Rv., dat de toepassing van art. 127 lid 2 Rv Pro., gelet op het belang van één of meer partijen bij toegang tot de rechter zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Nu appellante niet tijdig tot betaling van het griffierecht is overgegaan, zal geïntimeerde overeenkomstig het bepaalde in artikel 127a, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van deze instantie worden ontslagen en zal appellante worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
De beslissing
Het hof:
- ontslaat geïntimeerde van deze instantie,
- veroordeelt appellante in de proceskosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerde vastgesteld op € 1769,-- voor verschotten en op € 447,-- voor salaris van de advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs A.A. Schuering, E.J. van Sandick en A.G.M. Zander en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2011.