ECLI:NL:GHSGR:2011:BR6290

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
30 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.089.533-01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 127a RvArt. 3 lid 3 Wgbz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van instantie wegens niet tijdige betaling griffierecht in hoger beroep

Appellant heeft tijdig hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank en geïntimeerde gedagvaard. De zaak werd aangebracht en beide partijen verschenen met advocaten. De zaak is op 28 juni 2011 aangehouden in afwachting van betaling van het griffierecht door appellant.

Appellant heeft niet voldaan aan de verplichting om binnen vier weken na de eerste roldag het griffierecht te betalen, zoals voorgeschreven in artikel 3 lid 3 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz). Hierdoor heeft het hof op 2 augustus 2011 besloten het arrest te wijzen op basis van het griffiedossier.

Het hof oordeelt dat er geen omstandigheden zijn die onbillijkheid van overwegende aard veroorzaken bij toepassing van artikel 127a lid 2 Rv. Daarom wordt geïntimeerde ontslagen van de instantie en wordt appellant veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, vastgesteld op € 649,-- voor verschotten en € 447,-- voor salaris van de advocaat.

Uitkomst: Geïntimeerde wordt ontslagen van de instantie wegens niet betaling van het griffierecht door appellant, die tevens in de proceskosten wordt veroordeeld.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Zaaknummer : 200.089.533/01
Zaak/rolnummer rechtbank : 1009941 \ CV EXPL 10-11331
arrest d.d. 30 augustus 2011
inzake
[appellant],
wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente]),
appellant,
advocaat: mr. B. Benard te 's-Gravenhage,
tegen
Westland Energie Services B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. H.E. ter Horst te Zwolle.
Het geding
Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het tussen partijen gewezen vonnis van de Rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie Delft, van 14 april 2011.
Appellant heeft tijdig hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor genoemde vonnis en heeft geïntimeerde gedagvaard om op de rol voor dit hof te verschijnen.
Appellant heeft de zaak aangebracht. Voor appellant heeft zich een advocaat gesteld. Ook geïntimeerde is op die rol bij advocaat verschenen.
De zaak is op 28 juni 2011 aangehouden tot de rol van 26 juli 2011 voor: Afwachten griffierecht partijen.
Appellant heeft niet binnen vier weken na de eerste roldag het griffierecht betaald.
In verband met het achterwege blijven van betaling van het griffierecht heeft het hof op 2 augustus 2011 bepaald dat heden arrest wordt gewezen op basis van het griffiedossier.
De motivering van de beslissing
1. De zaak is voor het eerst uitgeroepen op 28 juni 2011. Volgens art. 3 lid 3 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) moet appellant ervoor zorgen dat binnen vier weken na 28 juni 2011, dus uiterlijk 26 juli 2011, het griffierecht is bijgeschreven op de rekening van dit hof. Appellant heeft niet betaald.
2. Er is niet gebleken van omstandigheden als bedoeld in art. 127a lid 3 Rv., dat de toepassing van art. 127a lid 2 Rv., gelet op het belang van één of meer partijen bij toegang tot de rechter zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Nu appellant niet tot betaling van het griffierecht is overgegaan, zal geïntimeerde
overeenkomstig het bepaalde in artikel 127a, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van deze instantie worden ontslagen en zal appellant worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
De beslissing
Het hof:
- ontslaat geïntimeerde van deze instantie,
- veroordeelt appellant in de proceskosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerde vastgesteld op € 649,-- voor verschotten en op € 447,-- voor salaris van de advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. Schuering, E.J. van Sandick en A.G.M. Zander en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2011.