ECLI:NL:GHSGR:2011:BU1429

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
6 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.066.616-01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Labohm
  • Stollenwerck
  • Mertens-de Jong
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:196 BWArt. 6:228 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verdeling huwelijksgemeenschap en draagplicht schulden na echtscheiding

In deze zaak stond de verdeling van de huwelijksgemeenschap na ontbinding door echtscheiding centraal, met name de vraag wie draagplichtig is voor de door de man aangegane schulden bij ING en ABN AMRO Bank. De vrouw stelde dat zij niet voor de helft aansprakelijk mocht zijn, omdat het schulden betrof die voor het huwelijk waren aangegaan, de man de schulden had verzwegen en er geen lotsverbondenheid was vanwege de korte duur van het huwelijk.

De rechtbank had de verdeling vastgesteld waarbij de man de aflossing van de schulden voor zijn rekening nam, maar de vrouw verplicht was de helft daarvan te vergoeden na aflossing. De vrouw kwam in hoger beroep en vorderde vernietiging van deze verdeling wegens dwaling en benadeling.

Het hof overwoog dat de schulden niet als verknochte schulden konden worden aangemerkt en dat de draagplicht in beginsel ieder voor de helft geldt, tenzij in zeer uitzonderlijke gevallen anders wordt beslist. De door de vrouw aangevoerde omstandigheden waren onvoldoende om hiervan af te wijken. Daarnaast oordeelde het hof dat de vernietigingsgrond wegens dwaling niet van toepassing is op rechterlijke verdelingen en dat het beroep op algemene dwaling eveneens faalde.

Daarmee werd de bestreden beschikking bekrachtigd en bleef de verdeling en de draagplichtregeling ongewijzigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verdeling van de huwelijksgemeenschap waarbij beide partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schulden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civielrecht
Uitspraak : 6 april 2011
Zaaknummer : 200.066.616/01
Rekestnr. rechtbank : FA RK 08-8911
[appellante]
wonende te [woonplaats]
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. S. de Kluiver te ’s-Gravenhage,
tegen
[geintimeerde],
wonende te [woonplaats]
verweerder in hoger beroep
hierna te noemen: de man,
advocaat: geen.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De vrouw is op 19 mei 2010 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 7 september 2009 en de beschikking van 19 februari 2010 van de rechtbank ’s-Gravenhage.
De man heeft geen verweerschrift ingediend.
Bij het hof is voorts van de zijde van de vrouw op 16 juni 2010 een brief van diezelfde datum met bijlage ingekomen.
De zaak is op 25 februari 2011 mondeling behandeld. Ter zitting was de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, aanwezig. De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikkingen van 7 september 2009 en van 19 februari 2010 van de rechtbank ’s-Gravenhage, tezamen verder: de bestreden beschikking.
Bij beschikking van 7 september 2009 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling is aangehouden.
Bij de bestreden beschikking is de verdeling van de huwelijksgemeenschap, welke door de scheiding is ontbonden, als volgt vastgesteld:
1. het serviesgoed, het koffiezetapparaat, het strijkijzer met de strijkplank, de stereo en het voetbad worden toebedeeld aan de vrouw en de overige inboedelgoederen worden toebedeeld aan de man, een en ander zonder verdere verrekening;
2. de man dient de (aflossing van de) schuld aan ING (met contractnummer [...]) voor zijn rekening te nemen, onder de verplichting van de vrouw tot vergoeding aan de man van de helft van die schuld per de peildatum, zijnde derhalve een bedrag van € 3.888,52, waarbij geldt dat vergoeding door de vrouw dient plaats te vinden na (aangetoonde) aflossing op genoemde schuld door de man;
3. de man dient de (aflossing van de) schuld aan de ABN AMRO Bank (met contractnummer [...] voor zijn rekening te nemen, onder de verplichting van de vrouw tot vergoeding aan de man van de helft van die schuld per de peildatum, zijnde derhalve een bedrag van € 6.277,48, waarbij geldt dat vergoeding door de vrouw dient plaats te vinden na (aangetoonde) aflossing op genoemde schuld door de man.
Deze vaststelling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.
In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat de echtscheidingsbeschikking op 30 oktober 2009 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de verdeling van de huwelijksgemeenschap voor zover het de door de man aangegane schulden bij ING en bij ABN AMRO Bank betreft.
2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikkingen te vernietigen, naar het hof begrijpt: voor zover de beslissing betrekking heeft op de schulden en, in zoverre opnieuw beschikkende, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn zelfstandige verzoeken, althans deze verzoeken (het hof leest: tot toerekening van zijn schulden aan ieder der partijen bij helfte) af te wijzen, althans zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie vermeent te behoren.
3. De man heeft in hoger beroep geen verweer gevoerd.
4. Het hof stelt voorop dat het appel zich enkel richt tegen de toerekening van de door de man aangegane schulden bij ING en ABN AMRO in die zin dat de vrouw de helft daarvan moet dragen. Het hof zal bij de beoordeling van het hoger beroep de stellingen van de man uit eerste aanleg betrekken.
Is sprake van verknochte schulden?
5. De vrouw stelt dat de schulden aan de man zijn verknocht en derhalve niet in de gemeenschap vallen.
6. Het hof overweegt als volgt. De huwelijksgoederengemeenschap omvat wat haar lasten betreft alle schulden van ieder der echtgenoten. Schulden die aan een echtgenoot op enigerlei wijze verknocht zijn, vallen slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich daartegen niet verzet. Of een schuld op een bijzondere wijze aan een der echtgenoten verknocht is, hangt af van de aard van de schuld, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen worden bepaald. Het hof is van oordeel dat de aard van de schulden van de man aan ING en ABN AMRO niet zodanig is dat deze naar maatschappelijke normen aangemerkt moeten worden als een verknochte schuld. Deze schulden dienen derhalve in de verdeling te worden betrokken.
Wie is draagplichtig voor de betaling van de schulden?
7. De vrouw stelt dat de redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzet dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de schulden van de man. Zij voert daartoe het volgende aan:
• het zijn voorhuwelijkse schulden
• ontbreken van lotsverbondenheid door de korte duur van het huwelijk
• de schulden zijn door de man verzwegen
• de man heeft door zijn handelen een groot voordeel behaald
8. Het hof overweegt als volgt. Partijen zijn in beginsel ieder voor de helft draagplichtig voor de gemeenschapsschulden. Een afwijking daarvan is niet geheel uitgesloten, maar kan slechts in zeer uitzonderlijke gevallen worden aangenomen. Het hof acht de door de vrouw gestelde feiten en omstandigheden niet van dien aard dat de redelijkheid en billijkheid met zich meebrengt dat in het kader van de verdeling de schulden alleen door de man dienen te worden gedragen. Dat partijen tijdens het huwelijk niet hebben samengewoond en geen gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd, doet daar niet aan af nu een huwelijk de echtgenoten niet verplicht tot samenwoning. Partijen zijn derhalve na de ontbinding van de gemeenschap ieder voor de helft draagplichtig voor de door de man aangegane schulden.
Vernietigbare verdeling?
9. De vrouw beroept zich op vernietigbaarheid van de verdeling en stelt daartoe:
• er is sprake van benadeling van de vrouw van meer dan een vierde gedeelte;
• er is sprake van dwaling, omdat de man de schulden altijd heeft verzwegen.
10. Het hof overweegt als volgt. Een verdeling is krachtens artikel 3:196 van Pro het Burgerlijk Wetboek vernietigbaar wanneer een deelgenoot omtrent de waarde van een of meer te verdelen goederen en schulden heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld. Daargelaten de vraag of dwaling ten aanzien van (de hoogte van) een schuld mogelijk is, nu de verdeling als zodanig enkel goederen bevat, oordeelt het hof als volgt. Het hof gaat er van uit dat de vernietigingsgrond van artikel 3:196 BW Pro slechts van toepassing is op de contractuele verdeling en niet in geval de rechter de verdeling heeft vastgesteld. Voor zover de rechter van een onjuiste waardering zou zijn uitgegaan, staan daar daar andere rechtsmiddelen tegen open. Alleen al om die reden kan het beroep op deze vernietigingsgrond niet slagen.
11. Voor zover de vrouw zich naast de vooromschreven bijzondere dwalingsgrond nog beroept op dwaling als algemene vernietigingsgrond, overweegt het hof dat de algemene dwalingsgrond van art.6:228 van Pro het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is op een verdeling.
12. Gezien de mondelinge toelichting die de vrouw heeft gegeven op haar appel alsmede op hoe de grieven dienen te worden gelezen en de eis, dient het overige dat in het appelschrift is geschreven buiten beschouwing te worden gelaten.
13. Het vorenstaande leidt tot bekrachtiging van de bestreden beschikking. Mitsdien wordt als volgt beslist.
BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Stollenwerck en Mertens-de Jong, bijgestaan door mr. Willems als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 april 2011.