ECLI:NL:GHSGR:2011:BU4099

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
17 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.078.094-01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake de verdeling van zorg- en opvoedingstaken en alimentatie

In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Gravenhage op 17 augustus 2011 uitspraak gedaan in hoger beroep betreffende de verdeling van zorg- en opvoedingstaken van minderjarigen en de alimentatieverplichtingen van de man. De man, verzoeker in hoger beroep, was in beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 3 september 2010. In de bestreden beschikking had de rechtbank een einde gemaakt aan de rechtsstrijd tussen partijen over de definitieve regeling van de zorg- en opvoedingstaken, maar de beslissingen over de kinder- en partneralimentatie en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden waren aangehouden. De man had niet in appel gekomen van de deelbeschikking inzake de contactregeling, wat leidde tot de conclusie dat hij niet-ontvankelijk was in zijn beroep inzake de overige onderdelen van zijn verzoek. Het hof overwoog dat de rechtbank niet uitdrukkelijk had beslist over de alimentatie en de huwelijkse voorwaarden, waardoor deze onderdelen als tussenbeschikking moesten worden aangemerkt. Het hof verklaarde de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, omdat hij niet in appel was gekomen van de deelbeschikking inzake de contactregeling. De uitspraak benadrukt het belang van het indienen van hoger beroep tegen alle relevante onderdelen van een beschikking, om ontvankelijkheid te waarborgen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Uitspraak : 17 augustus 2011
Zaaknummer : 200.078.094.01+200.078.097.01
Rekestnr. rechtbank : F2 RK 09-1488 en F2 RK 09-2625
[appellant],
wonende [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. E. Nagtegaal te Zaandam,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. F.W. Hoff te ‘s-Gravenhage.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De man is op 1 december 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 3 september 2010 van de rechtbank Rotterdam.
De vrouw heeft op 24 maart 2011 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van man:
- op 16 december 2010 een brief van15 december 2010 met bijlagen;
- op 3 februari 2011 een brief van 2 februari 2011 met bijlagen;
- op 3 maart 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen;
- op 10 mei 2011 een brief van 9 mei 2011met bijlagen;
- op 26 mei 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen;
van de zijde van de vrouw:
- op 15 december 2010 een brief van diezelfde datum.
De zaak is op 15 juni 2011 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
De advocaten van partijen hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad - een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot de minderjarigen bepaald.
Voorts is, voor zover hier van belang, bepaald dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden wordt aangehouden tot 1 oktober 2010 pro forma, met verzoek aan partijen om voor die datum over te leggen:
- een voorstel voor de persoon van de deskundige die de financiële stukken van partijen dient te beoordelen;
- de vragen die partijen aan de deskundigen willen voorleggen;
- een voorstel voor de persoon van de taxateur die de echtelijke woning dient te taxeren.
Met verzoek aan de man om zich voor genoemde pro forma datum uit te laten over de tweede hypotheek op de echtelijke woning en de consequenties voor deze hypotheek van een eventuele verkoop van de echtelijke woning door de vrouw.
Met verzoek aan de man om voor genoemde pro forma datum, voor zover mogelijk, een taxatierapport met betrekking tot de inboedelgoederen over te leggen.
Ten slotte is bepaald dat tot verdere behandeling pas wordt overgegaan nadat partijen voormelde bescheiden hebben overgelegd.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.
2. De man verzoekt om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te vernietigen de bestreden beschikking:
- voor zover dit betreft de beslissing van de rechtbank dat de voorlopig vastgestelde bijdragen terzake de kosten van verzorging en opvoeding van partijens minderjarige kinderen [A] en [B] blijven doorlopen tot een definitieve beslissing op dit onderdeel is gegeven en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [A] en [B] een bedrag van € 400,- per maand per kind;
- voor zover dit betreft de voorlopig bepaalde door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en opnieuw rechtdoende te bepalen dat aan hem geen bijdrage terzake de kosten van levensonderhoud van de vrouw zal worden opgelegd;
- voor wat betreft de benoeming van een deskundige die op basis van de in het geding gebrachte stukken een redelijk inkomen van de man dient vast te stellen;
- voor wat betreft de benoeming van een deskundige teneinde de financiële stukken nader te kunnen beoordelen;
- waarin wordt geoordeeld dat de in de onderneming teruggestorte gereserveerde winsten tot de verrekening tussen partijen behoren;
- voor wat betreft de benoeming van een deskundige teneinde de financiële stukken nader te beoordelen en voorts te verklaren voor recht dat onder het begrip zuiver inkomen uit arbeid of vermogen niet is te verstaan de niet-uitgekeerde winsten in de onderneming van de man;
- waarin de rechtbank tot een oordeel komt dat in ieder geval de schijn van vermenging van inkomens en vermogens tussen de man en de vrouw aanwezig is, hetgeen kan duiden op een situatie waarin partijen leefden als ware zij in gemeenschap van goederen gehuwd en voorts te verklaren voor recht dat er tussen de man en de vrouw geen vermenging van inkomen en vermogen heeft plaatsgevonden, zodat verdeling van vermogen achterwege kan blijven, behoudens de gemeenschappelijke echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats], alsmede de inventaris daarvan, als ware partijen in gemeenschap van goederen gehuwd;
- met betrekking tot de aandelen van de holding van de man en te verklaren voor recht dat de aandelen in [X] Holding B.V. niet zijn aangekocht ten tijde van het huwelijk door middel van overgespaard inkomen van de man dan wel gefinancierd zijn uit de gezamenlijke [bank]-rekening van zowel de man als de vrouw.
3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, en voor het geval het hof de man toch ontvankelijk acht, de vrouw een nadere termijn te gunnen voor het indienen van een verweer tegen de grieven.
ONTVANKELIJKHEID
4. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 358 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan hoger beroep van tussenbeschikkingen slechts tegelijk met dat van de eindbeschikking worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Van een eindbeschikking is sprake indien in het dictum uitdrukkelijk wordt beslist omtrent enig deel van het verzochte.
5. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank een einde gemaakt aan de rechtsstrijd tussen partijen betreffende de definitieve regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: contactregeling) en zij heeft haar beslissing dienaangaande in het dictum opgenomen. In zoverre is derhalve sprake van een gedeeltelijke eindbeschikking of deelbeschikking, waartegen hoger beroep mogelijk is.
6. De rechtbank heeft in het dictum van de bestreden beschikking niet uitdrukkelijk beslist omtrent het overige deel van het door de man verzochte, te weten de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: kinderalimentatie), de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw (hierna: partneralimentatie) en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, doch de zaak slechts pro forma aangehouden zoals hierboven onder het kopje ‘Procesverloop in eerste aanleg en vaststaande feiten’ is vermeld. Gelet hierop wordt de door de vrouw weersproken stelling van de man dat inzake de kinder- en partneralimentatie sprake zou zijn van een eindbeschikking voor een beperkte periode, verworpen. De beschikking dient ter zake van de kinderalimentatie, de partneralimentatie en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden als tussenbeschikking te worden aangemerkt.
7. Zijdens de man is tijdens de mondelinge behandeling terecht gesteld dat in geval van appel van een deelbeschikking ook de tussenbeschikkingscomponent in het appel kan worden betrokken. Nu de man echter niet in appel is gekomen van de deelbeschikking inzake de contactregeling, kan hij niet worden ontvangen in zijn beroep inzake het overige deel van het door hem verzochte.
8. Het hof is voorts van oordeel dat de rechtbank in de bestreden beschikking hoger beroep tegen de tussenbeschikking niet uitdrukkelijk heeft opengesteld. Anders dan de man meent, is de enkele mededeling die in een kleiner lettertype onder de handtekeningen van de rechter en de griffier is geplaatst geen uitdrukkelijke beslissing van de rechtbank dat tussentijds hoger beroep mogelijk is. Ook uit de inhoud van de door de man aangevoerde briefwisseling met de rechtbank kan niet worden afgeleid dat zulks het geval is.
9. Hetgeen partijen over en weer verder naar voren hebben gebracht, behoeft geen nadere bespreking nu dit niet tot een ander oordeel noopt.
10. Dit alles leidt tot de conclusie dat de man niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek in hoger beroep.
11. Mitsdien wordt als volgt beslist.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Van Dijk en Van der Zanden, bijgestaan door mr. De Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 augustus 2011.