ECLI:NL:GHSGR:2011:BV1908
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- B. van Walderveen
- Th. Groeneveld
- P.J.J. Vonk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herinvesteringsreserve bij verkoop van horecagelegenheid en de vraag of sprake is van één onderneming
Belanghebbende exploiteerde sinds 1992 samen met vennoten twee horecagelegenheden, [A] en [B], die in 2003 werden verkocht aan verschillende kopers. De vraag was of deze cafés fiscaal als één onderneming konden worden beschouwd, zodat een herinvesteringsreserve kon worden gevormd voor de boekwinst uit de verkoop.
De rechtbank had het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, en na verwijzing door de Hoge Raad heeft het Gerechtshof 's-Gravenhage de zaak opnieuw beoordeeld. Belanghebbende stelde dat de cafés financieel en organisatorisch verweven waren, terwijl de Inspecteur betoogde dat het om twee afzonderlijke ondernemingen ging.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende feiten had gesteld om aan te tonen dat sprake was van één onderneming. Verschillen in rechtsvorm, aparte jaarrekeningen, eigen personeel, verschillende inschrijvingen bij de Kamer van Koophandel en uiteenlopende omzet en rentabiliteit wezen op zelfstandige ondernemingen. Ook de afzonderlijke verkoopakten en het ontbreken van een direct verband in betalingsverplichtingen ondersteunden dit oordeel.
Daarmee werd het standpunt van belanghebbende verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het Hof wees tevens proceskostenveroordeling af en wees op de mogelijkheid van cassatie bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat geen sprake is van één onderneming en wijst het hoger beroep af.