ECLI:NL:GHSGR:2011:BW1267
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling indirect onderscheid op grond van godsdienst bij sollicitatie klantmanager
De appellant, een orthodoxe moslim, solliciteerde in 2005 naar de functie van klantmanager bij de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Gemeente Rotterdam. Tijdens het sollicitatiegesprek in februari 2006 weigerde hij vrouwen de hand te schudden vanwege zijn geloofsovertuiging. De Gemeente wees hem daarop af, omdat zij meende dat dit gedrag conflicten met klanten en collega’s kon veroorzaken en de functionele relatie met cliënten zou verstoren.
De appellant stelde dat deze weigering onrechtmatig was en dat de Gemeente indirect onderscheid maakte op grond van godsdienst, hetgeen volgens hem niet objectief gerechtvaardigd was. De Commissie Gelijke Behandeling oordeelde dat er inderdaad sprake was van indirect onderscheid, maar dat dit gerechtvaardigd was. De rechtbank Rotterdam wees de vorderingen van de appellant af.
In hoger beroep betoogde appellant dat het middel van afwijzing niet noodzakelijk was om het legitieme doel van de Gemeente te bereiken. De Gemeente voerde nieuw verweer dat de weigering handen te schudden geen uiting van een geloofsovertuiging is zoals beschermd onder art. 9 EVRM Pro. Het hof besloot de zaak aan te houden om partijen in de gelegenheid te stellen hierop te reageren en nadere stukken uit te wisselen. Het hof stelde een rolzitting vast voor het nemen van aktes en hield iedere verdere beslissing aan.
Uitkomst: Het hof houdt de zaak aan voor nadere behandeling en laat partijen reageren op nieuwe verweren en stukken.