Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Arrest d.d. 18 december 2012
BOTERSLOOT C.V.,
FORTIS BANK (NEDERLAND) B.V.,
Het geding
De verdere beoordeling van het hoger beroep
In bijgaande staat zijn verschillende wijzen van acoustische behandeling aangegeven.
Aanvulling asbestinventarisatie Botersloot svp invoegen in rapport bij 4e verd achter ruimte 400’.
Asbesthoudend stucwerk/Brandw. Platen, Asbestkarton’ en dat uit monsterneming bleek dat sprake was van een asbestgehalte van 15-30% amosiet (bruine asbest) en 5-10% chrysoliet (witte asbest). In het aanvullend Vincotte-rapport is deze asbestbron als behorend tot categorie 3 beoordeeld, waarvoor geldt dat sanering niet direct noodzakelijk is.
Inspectiedatum’ is aangegeven: ‘
12 t/m 26 maart en 02 april 1999’ kan in ieder geval worden geconcludeerd dat Vincotte haar deskonderzoek heeft verricht vóór 12 maart 1999 en dus voor ‘het voorjaar van 1999’. Ten tijde van haar deskonderzoek kon Vincotte het Janzen-rapport en de andere in de archiefdozen aangetroffen stukken dus nog niet kennen. Wanneer Viscotte, zoals zij volgens Fortis (AMnD onder 19) had moeten doen, de architect toen naar de stukken zou hebben gevraagd, zou dat niets hebben opgeleverd. Hieraan dient nog te worden toegevoegd dat van Vincotte niet kon worden verwacht dat zij binnen enkele weken na het door haar uitgevoerde deskonderzoek – waarbij de genoemde stukken, omdat zij nog niet waren gevonden, niet konden worden betrokken – wederom een deskonderzoek zou gaan verrichten en/of bij de architect zou gaan informeren of er inmiddels nieuwe stukken beschikbaar waren. Gesteld noch gebleken is immers dat Vincotte enige reden had om aan te nemen dat de architect in die tussentijd de archiefdozen had gevonden.
(…) Botersloot (was) in de gelegenheid (…) kennis te nemen van de bestekken en tekeningen, architect J. Groenland heeft immers verklaard deze stukken in het voorjaar van 1999 te hebben gevonden’,
Indien de door verkoper opgegeven maat of grootte van het verkochte of verdere omschrijving daarvan of de hiervoor onder C door hem gedane opgaven niet juist of niet volledig zijn,zal geen van partijen daaraan enig recht ontlenen(…)’ (onderstreping door het hof),
feitelijkasbest of enige andere verontreiniging bevat die ten nadele strekt van het gebruik daarvan als kantoorruimte, kan niet afdoen aan de bepaling in de koopovereenkomst, dat het gebouw de eigenschappen (waaronder de afwezigheid van losgebonden asbest)
moetbezitten die nodig zijn voor normaal gebruik als kantoorpand. Anders dan Fortis meent hebben artikel C sub a van de leveringakte en artikel 5 lid 2 van Pro de koopovereenkomst dus niet dezelfde strekking. Voor zover in de onderstreepte woorden van artikel 2 lid 1 van Pro de leveringsakte een exoneratie zou moeten worden gelezen, dan is daarmee derhalve alleen de mogelijke aansprakelijkheid voor de onbekendheidsverklaring (en andere te goeder trouw gedane onjuiste of onvolledige mededelingen over de feitelijke staat van het gebouw) uitgesloten, maar niet de aansprakelijkheid voor de ongeschiktheid van het gebouw, als gevolg van de aanwezigheid van losgebonden asbest, voor het overeengekomen gebruik. De door Fortis aan haar niet-toerekenbaarheidverweer ten grondslag gelegde redenering gaat, zo volgt hieruit, niet op. Dat verweer wordt dan ook verworpen.