ECLI:NL:GHSGR:2012:BV9994

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
17 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.095.682-01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 127a RvArt. 3 lid 3 Wgbz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van instantie wegens niet-betaling griffierecht in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de Rechtbank Rotterdam en geïntimeerde gedagvaard om te verschijnen voor het hof. De zaak werd aangebracht en beide partijen verschenen met advocaten. Het hof stelde de zaak aan op 18 oktober 2011 en bepaalde dat het griffierecht binnen vier weken, uiterlijk 15 november 2011, betaald moest zijn.

Appellante heeft het griffierecht niet voldaan binnen de gestelde termijn. Op grond van artikel 127a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering leidt dit tot ontslag van instantie van geïntimeerde. Het hof heeft geen omstandigheden gevonden die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen.

Daarom heeft het hof geïntimeerde ontslagen van deze instantie en appellante veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, vastgesteld op €1.769 voor verschotten en €447 voor advocaatkosten. Het arrest is op 17 januari 2012 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Geïntimeerde wordt ontslagen van deze instantie wegens niet-betaling van het griffierecht door appellante, die tevens in de proceskosten wordt veroordeeld.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Zaaknummer : 200.095.682/01
Zaak/rolnummer rechtbank : 1016619 CV EXPL 09-34706
arrest van 17 januari 2012
inzake
[…] B.V.,
gevestigd te […], gemeente […],
appellante,
advocaat: mr. T.P. Schut te Amsterdam,
tegen
Gemeente Dordrecht,
gevestigd te Dordrecht,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J. Verbeeke te Rotterdam.
Het geding
Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het tussen partijen gewezen vonnis van de Rechtbank Rotterdam sector kanton, locatie Rotterdam van 19 november 2010.
Appellante heeft tijdig hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor genoemde vonnis en heeft geïntimeerde gedagvaard om op de rol voor dit hof te verschijnen.
Appellante heeft de zaak aangebracht. Voor appellante heeft zich een advocaat gesteld. Ook geïntimeerde is op die rol bij advocaat verschenen.
De zaak is op 18 oktober 2011 aangehouden tot de rol van 15 november 2011 voor: Afwachten griffierecht partijen.
Appellante heeft niet binnen vier weken na de eerste roldag het griffierecht betaald.
In verband met het achterwege blijven van betaling van het griffierecht heeft het hof op 22 november 2011 bepaald dat heden arrest wordt gewezen op basis van het griffiedossier.
De motivering van de beslissing
De zaak is voor het eerst uitgeroepen op 18 oktober 2011. Volgens art. 3 lid 3 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) moet appellante ervoor zorgen dat binnen vier weken na 18 oktober 2011, dus uiterlijk 15 november 2011, het griffierecht is bijgeschreven op de rekening van dit hof. Appellante heeft niet betaald.
Er is niet gebleken van omstandigheden als bedoeld in art. 127a lid 3 Rv., dat de toepassing van art. 127a lid 2 Rv., gelet op het belang van één of meer partijen bij toegang tot de rechter zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Nu appellante niet tot betaling van het griffierecht is overgegaan, zal geïntimeerde
overeenkomstig het bepaalde in artikel 127a, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van deze instantie worden ontslagen en zal appellante worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
De beslissing
Het hof:
- ontslaat geïntimeerde van deze instantie,
- veroordeelt appellante in de proceskosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerde vastgesteld op € 1.769,-- voor verschotten en op € 447,-- voor salaris van de advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.M. Davids, E.J. van Sandick en A.G.M. Zander en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2012.