ECLI:NL:GHSGR:2012:BW3450
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- S. van Dissel
- H.M.A. de Groot
- C.M. le Clercq-Meijer
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens bescherming vluchtelingenstatus bij gebruik vals reisdocument
De verdachte werd veroordeeld voor het gebruik van een niet op zijn naam gesteld Brits vreemdelingenpaspoort bij uitreis uit Nederland. In eerste aanleg en hoger beroep werd hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest en verwees de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.
Het hof oordeelt dat de verdachte als vluchteling is erkend en een verblijfsvergunning asiel heeft ontvangen op grond van artikel 29 lid 1 sub a van Pro de Vreemdelingenwet. Hierdoor geniet hij bescherming krachtens artikel 31 lid 1 van Pro het Vluchtelingenverdrag, dat vervolging wegens illegale grensoverschrijding verbiedt indien de vluchteling zich onverwijld meldt bij de autoriteiten.
Hoewel het openbaar ministerie stelde dat de verdachte zich niet onverwijld had gemeld, acht het hof dit niet relevant omdat de IND dit reeds heeft beoordeeld bij verlening van de verblijfsvergunning. De vervolging wegens het gebruik van het niet op zijn naam gestelde reisdocument is daarmee niet ontvankelijk. Het hof vernietigt het eerdere vonnis en verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens bescherming op grond van artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag.