ECLI:NL:GHSGR:2012:BW4079

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
24 april 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.092.587-01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:268 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voortzetting huur na overlijden moeder wegens onvoldoende financiële waarborg en ontbreken duurzame huishouding

De zaak betreft het verzoek van een 21-jarige zoon om de huur van de woning van zijn overleden moeder voort te zetten op grond van artikel 7:268 BW Pro. De moeder was op 4 augustus 2010 overleden, waarna de zoon het verzoek indiende bij de kantonrechter. Deze wees het verzoek af omdat de zoon onvoldoende financiële waarborg bood en geen duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder had gevoerd.

In hoger beroep bevestigde het hof dit oordeel. De stelling van de zoon dat zijn salaris was gestegen tot €1.350 bruto per maand werd door Woonstad gemotiveerd betwist, mede omdat het bewijs bestond uit een onderhandse akte en de werkgever zijn broer was die in de woning verbleef. Het hof achtte de loonstijging niet aannemelijk en vond dat de zoon zelf financieel de huurlasten moest kunnen dragen. Bijdragen van inwonende familieleden en een aanvraag voor huursubsidie konden niet meetellen.

Ook het argument dat er sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding werd verworpen. De zorg die de moeder bood was onvoldoende om te spreken van een duurzame huishouding, zeker omdat de zoon zelfredzaam was en een baan had. Financiële bijdragen aan de huishouding waren niet relevant en bovendien te laat onderbouwd.

Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde de zoon in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof heeft het verzoek tot voortzetting van de huur afgewezen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Zaaknummer : 200.092.587/01
Rolnummer rechtbank : 1209612 \ CV EXPL 11-8983 sector kanton, locatie Rotterdam
Arrest d.d. 24 april 2012 (bij vervroeging)
inzake
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. L.C.H. Karstanje te Gouda,
tegen
Stichting Woonstad Rotterdam,
gevestigd te Rotterdam,
geïntimeerde,
hierna te noemen: Woonstad,
advocaat: mr. E.J.P. Nolet te 's-Gravenhage.
Het geding
Voor het verloop van de procedure tot 4 oktober 2011 wordt verwezen naar het tussenarrest van die datum, waarbij een comparitie van partijen werd gelast. Deze comparitie heeft plaatsgevonden op 30 november 2011. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens heeft [appellant] bij memorie van grieven (met producties) vijf grieven aangevoerd. Deze zijn door Woonstad bestreden bij memorie van antwoord. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.
Beoordeling van het hoger beroep
1. De in het bestreden vonnis van 8 juli 2011 vastgestelde feiten staan niet ter discussie, zodat ook het hof daarvan uitgaat.
2. Kort en zakelijk weergegeven gaat het geschil om het volgende.
2.1 [appellant] woont sinds zijn geboorte op [geboortedatum] met zijn moeder in de door zijn moeder van Woonstad gehuurde woning aan de [A-straat 1] te [plaats] (hierna: het gehuurde). De moeder is op 4 augustus 2010 overleden. [appellant] was toen 20 jaar.
2.2 [appellant] heeft de kantonrechter verzocht te bepalen dat hij de huur van het gehuurde mag voortzetten op grond van artikel 7:268, tweede lid BW. De kantonrechter heeft dit verzoek afgewezen bij het thans bestreden vonnis. Daartoe heeft de kantonrechter, zakelijk samengevat en voor zover thans van belang, overwogen:
(I) [appellant] biedt onvoldoende financiële waarborg, gelet op de op dat moment geldende huur van € 520,-- per maand en de hoogte van zijn salaris van € 943,64 bruto per maand, terwijl Woonstad gemotiveerd heeft betoogd dat hij niet in aanmerking komt voor huurtoeslag;
(II) Niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is geweest van een duurzame gemeen¬schappelijke huishouding in de zin van artikel 7: 268, derde lid, onder a juncto lid 2 BW. Een kind wordt geacht ‘uit te vliegen’. Van bijzondere omstandigheden om daar thans anders over te denken is geen sprake. [appellant] blijkt voldoende zelfredzaam te zijn en heeft ook een baan. Van een gemeenschappelijke financiële huishouding was al evenmin sprake.
3. [appellant] klaagt met zijn grieven over deze beslissing. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Woonstad heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het hof verwerpt de grieven en licht dit als volgt toe.
4. Het hof is ten aanzien van (I) met de kantonrechter van oordeel dat [appellant] onvoldoende financiële waarborg biedt. Zijn (met productie 1 onderbouwde) stelling in hoger beroep dat hij inmiddels per 1 september 2011 € 1.350,-- bruto verdient, is gemotiveerd betwist door Woonstad. Woonstad heeft naar voren gebracht (a) dat een salarisstijging van 43% in zo’n korte tijd niet erg voor de hand ligt, (b) zeker niet als deze afkomstig is van zijn broer als werkgever die bovendien direct belanghebbende is nu deze broer inwoont in het gehuurde en (c) dat genoemde productie 1 geen loonstrook is, maar louter een onderhandse akte opgemaakt tussen [appellant] en diens broer. Naar het oordeel van het hof is, gelet op het voorgaande, deze loonsverhoging niet komen vast te staan. [appellant] heeft op dit punt geen nader bewijs aangeboden. Het hof zal de gestelde loonstijging dus niet meewegen.
Overigens, zelfs al zou er wél sprake zijn van deze loonsverhoging, dan nog wordt deze, gelet op de hoogte van de huurprijs, nog steeds ontoereikend geacht. Anders dan [appellant] stelt kunnen eventuele bijdragen van (inwonende) broers en zusters bij deze beoordeling niet meewegen. [appellant] moet zélf financieel de huurlasten kunnen dragen. Evenmin kan meewegen het feit dat [appellant] huursubsidie heeft aangevraagd. Woonstad heeft reeds in eerste aanleg gemotiveerd, met verwijzing naar de relevante regelgeving, gesteld dat [appellant] daarvoor niet in aanmerking komt. [appellant] heeft hier niets tegenin gebracht, zodat het hof als vaststaand aanneemt dat [appellant] geen aanspraak heeft op huursubsidie voor het gehuurde.
5. Ook ten aanzien van (II) wordt het oordeel van de kantonrechter gedeeld en is het hof het eens met rechtsoverweging 4.5 van het bestreden vonnis, die het hof overneemt. Hetgeen [appellant] hiertegen in hoger beroep heeft aangevoerd maakt dit niet anders. De omstandigheid dat zijn moeder steeds voor hem zorgde, met name voor zijn eten en bewassing zorgde, is onvoldoende om te concluderen dat er in dit geval sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Niet in geschil is immers, zoals de kantonrechter onweersproken heeft vastgesteld, dat [appellant] voldoende zelfredzaam is en ook een baan heeft. Ook indien zou komen vast te staan dat [appellant] financieel aan de gezamenlijke huishouding met zijn moeder heeft bijgedragen, is dit niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid die erop duidt dat anders moet worden geoordeeld over de duurzaamheid van de gemeenschappelijke huishouding. Het aanbod van [appellant] om nader (met bonnen) te onderbouwen dat hij financieel heeft bijgedragen is daarom niet relevant, nog daargelaten dat het tardief is. Deze bonnen hadden reeds moeten zijn overgelegd.
6. De slotsom van het voorgaande is het bestreden vonnis bekrachtigd zal worden. Hierbij past een proceskostenveroordeling van [appellant].
Beslissing
Het hof:
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam, van 8 juli 2011;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Woonstad tot op heden begroot op € 649,-- aan verschotten en € 1788,-- aan salaris advocaat;
Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, M.J. van der Ven en G.R.B. van Peursem en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 april 2012 in aanwezigheid van de griffier.