ECLI:NL:GHSGR:2012:BW7014

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
19 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.098.148-01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:685 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling doorbreking appelverbod bij ontbinding arbeidsovereenkomst

In deze zaak stond het hoger beroep centraal tegen een beschikking ex art. 7:685 BW Pro van de rechtbank 's-Gravenhage, waarin een arbeidsovereenkomst werd ontbonden. Volgens vaste rechtspraak is hoger beroep tegen een dergelijke beschikking in principe niet mogelijk, tenzij het appelverbod wordt doorbroken vanwege onjuiste toepassing van de wet, buiten toepassing laten van het artikel of schending van fundamentele rechtsbeginselen.

De appellant stelde dat sprake was van een doorbrekingsgrond omdat de ontbinding was gebaseerd op een grond (verstoorde arbeidsverhouding) die niet was aangevoerd en waarover geen hoor en wederhoor had plaatsgevonden. De Rabobank betwistte deze lezing en stelde dat sprake was van een kennelijke misslag in de beschikking.

Het hof oordeelde dat de betreffende overweging in de beschikking (r.o. 4.5) gelezen moest worden in de context van de gehele beschikking en dat deze slechts een samenvatting vormde van de aan het ontbindingsverzoek ten grondslag gelegde feiten. Hierdoor was geen sprake van een doorbrekingsgrond en werd het hoger beroep verworpen. De kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt verworpen en het appelverbod wordt niet doorbroken.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Zaaknummer : 200.098.148/01
Rekestnummer Rechtbank : rep.nr.1082385 RP VERZ 11-50606
beschikking van 19 Juni 2012
inzake
[Naam],
wonende te [Woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. G.J.L.F.M. Schakenraad te Eindhoven,
tegen
COÖPERATIEVE CENTRALE RAIFFEISEN-BOERENLEENBANK B.A.,
gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de Rabobank,
advocaat: mr. S.P.A. Bollen te Amsterdam.
Het geding
Bij beroepschrift ingekomen ter griffie op 30 november 2011, is [appellant] in hoger beroep gekomen van de beschikking ex art. 7:685 BW Pro van 31 augustus 2011, door de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie
's-Gravenhage, gegeven tussen partijen.
De Rabobank heeft een verweerschrift tevens incidenteel appel ingediend.
[appellant] heeft een verweerschrift incidenteel appel (met drie producties) ingediend.
Op 8 mei 2012 is de zaak mondeling behandeld. Partijen hebben hun standpunten doen toelichten, [appellant] door mr. K.M.P. Jacobs, advocaat te Eindhoven, en de Rabobank door mr. Bollen voornoemd, ieder aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.
Beoordeling van het hoger beroep
1. Voorop moet worden gesteld dat volgens artikel 7:685, lid 11 BW tegen een beschikking als hier aan de orde is (ontbinding van een arbeidsovereenkomst) geen hoger beroep kan worden ingesteld. Volgens vaste rechtspraak wordt dit appelverbod evenwel doorbroken (a) als de rechter artikel 7:685 BW Pro ten onrechte heeft toegepast en/of buiten het toepassingsbereik van het artikel is getreden, (b) als het artikel ten onrechte buiten toepassing is gelaten, dan wel (c) als zulke fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden dat niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak.
2. [appellant] heeft aangevoerd dat zich in dit geval een doorbrekingsgrond als hierboven sub c) bedoeld heeft voorgedaan. [appellant] is in die zin ontvankelijk in zijn beroep.
3.1. Dan moet vervolgens de vraag worden beantwoord of zich ook daadwerkelijk een doorbrekingsgrond als sub c) bedoeld heeft voorgedaan.
3.2. Volgens [appellant] blijkt uit r.o. 4.5. van de beschikking waarvan beroep dat de ontbinding is gebaseerd op een grond (verstoorde arbeidsverhouding) die niet is aangevoerd en ten aanzien waarvan ook geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. Hij stelt zich op het standpunt dat zich aldus een doorbrekingsgrond als bedoeld sub c) hiervoor voordoet.
3.3. De Rabobank heeft aangevoerd dat r.o. 4.5. niet kan worden gelezen als door [appellant] wordt gesteld. Volgens de Rabobank kan uit hetgeen overigens in de beschikking is overwogen en beslist - zowel ten aanzien van de ontbinding als zodanig als ten aanzien van de vergoeding - niet anders worden geconcludeerd dan dat er bij de formulering van r.o. 4.5. sprake is van een kennelijke misslag, mogelijk door het gebruik van een verkeerd model.
3.4. Naar het oordeel van het hof moet r.o. 4.5. worden gelezen in de context van de beschikking als geheel. De beschikking bevat - afgezien van r.o. 4.5. - uitsluitend en alleen overwegingen die specifiek zijn toegesneden op de aan het ontbindingsverzoek ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden. In dat licht bezien en mede gelet op de aanvangstekst "Op grond van het door partijen gestelde" moet r.o. 4.5. daarom naar het oordeel van het hof worden begrepen als niet meer dan een kernachtige samenvatting ("vertaling") door de kantonrechter van de aan het ontbindingsverzoek ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden.
3.5. In lijn met hetgeen partijen bij de mondelinge behandeling eensluidend hebben geantwoord op de vraag van het hof met welke tekst - indien wordt uitgegaan van de hiervoor sub 3.4. voormelde interpretatie door het hof - zou kunnen worden volstaan, verstaat het hof r.o. 4.5 van de beschikking dan ook als volgt:
"Op grond van het door partijen gestelde is aannemelijk geworden dat sprake is van verandering van omstandigheden, van dien aard dat de arbeidsverhouding tussen partijen billijkheidshalve behoort te eindigen."
3.6. Hetgeen hiervoor sub 3.4. is overwogen brengt mee dat het hof de hierboven sub 3.1. vermelde vraag ontkennend beantwoordt.
4. Het bovenstaande leidt er toe dat het hoger beroep zal worden verworpen. Een inhoudelijke beoordeling van het ontbindingsverzoek - en het daarop betrekking hebbende incidenteel hoger beroep - komt derhalve niet aan de orde.
5. Het hof ziet aanleiding om de kosten van het geding in hoger beroep te compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
Het hof:
- verwerpt het beroep;
- compenseert de kosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H. van Coeverden, S.R. Mellema en V. Disselkoen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 Juni 2012 in aanwezigheid van de griffier.