ECLI:NL:GHSGR:2012:BX2047
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep ontnemingsvordering wederrechtelijk verkregen voordeel bij invoer van hash
De zaak betreft een hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam waarin een ontnemingsvordering van het openbaar ministerie was toegewezen. De veroordeelde werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie en invoer van circa 15.000 kg hash in 2002. In eerste aanleg werd hij vrijgesproken van deelname aan de criminele organisatie, terwijl hij wel veroordeeld werd voor de invoer van hash.
Het hof oordeelde dat de ontnemingsvordering niet gebaseerd kon worden op een vermogensvergelijking maar op concrete transacties ('Transport 2000' en 'Transport 2001'). Deze transacties betroffen dezelfde feiten als waarvoor de veroordeelde in 2003 onherroepelijk was vrijgesproken van deelname aan de criminele organisatie. Het hof stelde dat dit ne bis in idem-beginsel en de onschuldpresumptie in de weg staan aan de ontnemingsvordering.
Verder werd overwogen dat de aankondiging van de ontnemingsvordering door het openbaar ministerie op juiste wijze had plaatsgevonden en dat de termijn voor het instellen van de ontnemingsvordering was gerespecteerd. Desondanks leidde de inhoudelijke beoordeling tot afwijzing van de vordering omdat het ontnemen van voordeel uit feiten waarvoor de veroordeelde reeds definitief was vrijgesproken niet is toegestaan.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens strijd met ne bis in idem en onschuldpresumptie.