ECLI:NL:GHSGR:2012:BY0802
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Huurderschap zoon na overlijden moeder bij duurzame gemeenschappelijke huishouding
De zaak betreft een geschil over het huurderschap van een woning aan de A-straat te een plaats, waarin de zoon na het overlijden van zijn moeder bleef wonen. De moeder en zoon hadden een duurzame gemeenschappelijke huishouding gevoerd, wat de basis vormde voor de zoon om huurder te worden na het overlijden van zijn moeder.
De vader van de zoon had de woning oorspronkelijk verhuurd, en na zijn overlijden zette de moeder de huurovereenkomst voort. De zoon, die lange tijd elders zelfstandig had gewoond, trok na het overlijden van zijn vader bij zijn moeder in en stond sinds eind 2004 ingeschreven op het adres. Na het overlijden van de moeder in 2008 weigerde de eigenaar de zoon als medehuurder te accepteren.
De kantonrechter stelde vast dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en wees de ontruimingsvordering van de erven af. Het hof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de zoon voldoende waarborg biedt voor de huurbetaling, ondanks een beperkte huurachterstand. De grieven van de erven werden verworpen en de vonnissen van de kantonrechter werden bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de zoon per 30 april 2009 huurder is van de woning op grond van de duurzame gemeenschappelijke huishouding en wijst de ontruimingsvordering af.