ECLI:NL:GHSGR:2012:BY3295
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering opheffing conservatoir beslag wegens onvoldoende onderbouwing financiële noodzaak
In deze zaak vorderde geïntimeerde in kort geding de opheffing van een conservatoir derdenbeslag dat verzekeraars onder haar bankrekening hadden gelegd ter zekerheid van een schadevordering. De voorzieningenrechter had het beslag opgeheven omdat het belang van geïntimeerde bij opheffing zwaarder woog dan het belang van verzekeraars bij handhaving.
Verzekeraars gingen in hoger beroep tegen deze beslissing. Het hof oordeelde dat geïntimeerde onvoldoende concrete feiten en omstandigheden had aangevoerd om aannemelijk te maken dat het beslag haar bedrijfsvoering in gevaar bracht. De enkele brief van de Rabobank over het niet kunnen verkrijgen van financiering was onvoldoende onderbouwd, en de financiële positie van geïntimeerde was niet nader toegelicht.
Het hof stelde vast dat het beslag terecht was gelegd en dat de belangenafweging anders moest uitvallen dan de voorzieningenrechter had gedaan. Het hoger beroep werd daarom toegewezen, het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en de vordering tot opheffing van het beslag afgewezen. Geïntimeerde werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot opheffing van het conservatoir beslag af wegens onvoldoende onderbouwing van de financiële noodzaak.