ECLI:NL:GHSHE:2000:AA7369

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
20 september 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
98/03605
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:5 AwbArt. 3:42 AwbArt. 6:22 AwbArt. 2 lid 3 Uitvoeringsbesluit bpmArt. 3 lid 3 Uitvoeringsbesluit bpm
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag bpm ondanks bezwaar belanghebbende

Belanghebbende gebruikte op 28 januari 1998 een in het buitenland geregistreerde personenauto op de Nederlandse openbare weg zonder voorafgaande betaling van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) en zonder vrijstellingsbeschikking. De Inspecteur legde daarop een naheffingsaanslag bpm op, die door belanghebbende werd bestreden. Het Hof behandelde het beroep en oordeelde dat het mandaatbesluit dat de inspecteur bevoegd verklaarde tot oplegging van de aanslag rechtsgeldig was, ondanks het ontbreken van wettelijke publicatie.

Belanghebbende voerde meerdere grieven aan, waaronder onbevoegdheid van de ambtenaar, het niet kunnen aanvragen van vrijstelling na aanvang van het gebruik, strijdigheid met artikel 48 en Pro 95 van het EG-Verdrag, en onjuiste berekening van de bpm. Het Hof verwierp deze grieven, stellende dat de aanslag terecht was opgelegd en dat de heffing geen belemmering voor het vrije verkeer van werknemers binnen de EU vormde.

Het Hof benadrukte dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de berekening van de bpm onjuist was en dat het ontbreken van publicatie van het mandaatbesluit niet tot vernietiging van de aanslag leidde omdat belanghebbende daardoor niet in zijn belangen was geschaad. De bestreden uitspraak werd bevestigd, en het beroep van belanghebbende werd afgewezen.

Uitkomst: Het Hof bevestigt de naheffingsaanslag bpm en wijst het beroep van belanghebbende af.

Uitspraak

BELASTINGKAMER
Nr. 98/03605
HET GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH
U I T S P R A A K
Uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, achtste enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid douane te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de hem opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: bpm) over het jaar 1998.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1. De vorenvermelde aanslag heeft als dagtekening
27 februari 1998 en bedraagt ƒ 26.990,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 13.945,-- aan verhoging, totaal ƒ 40.485,--; het tegen de aanslag gemaakte bezwaar is bij de bestreden uitspraak afgewezen, voorzover het de bpm betreft; de verhoging is bij die uitspraak kwijtgescholden.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.
1.2. De zaak is behandeld in raadkamer ter zitting van het Hof van 9 juni 2000 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbendes gemachtigde en de Inspecteur.
Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en
exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.
2. Vaststaande feiten
Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.
2.1. Belanghebbende woont in Nederland. Hij is - evenals zijn echtgenote - in juni 1996 benoemd tot bestuurder van de in België gevestigde X N.V., welk bedrijf hem voor het verrichten van werkzaamheden in België een - in Nederland niet geregistreerde - personenauto met Belgisch kenteken AAA111 ter beschikking heeft gesteld.
2.2. Belanghebbende heeft op 28 januari 1998 met de sub 2.1 genoemde personenauto in Nederland gebruik gemaakt van de openbare weg, zonder vooraf bpm te hebben voldaan en zonder in het bezit te zijn van een beschikking inhoudende vrijstelling
van die belasting. Ter zake hiervan is hem de sub 1.1 genoemde naheffingsaanslag opgelegd.
Het aanslagformulier is voor de “Belastingdienst/douanepost R, Vestiging Q, De inspecteur,” ondertekend
door S.
2.3. Tot de gedingstukken behoort een “voorstel tot naheffing”
d.d. 18 februari 1998 van de onderhavige bpm, opgemaakt door ambtenaren van de douanepost R, vestiging Q.
Daarin is “met betrekking tot de boete” onder meer vermeld:
“(…)29-04-1993 bent u door ambtenaren van douanepost Q
aangetroffen in een in het buitenland gekentekende personenauto, waarvoor de verschuldigde belasting BPM niet betaald was, terwijl u niet in het bezit was van een vergunning vrijstelling BPM.
Vanwege eventuele onwetendheid/onbekendheid met de Wet BPM,
bent u alsnog in de gelegenheid gesteld om een vergunning
vrijstelling BPM aan te vragen.
14-03-1994 is aan uw echtgenote een vergunning vrijstelling BPM afgegeven op grond van artikel 3
uitvoeringsbesluit BPM.
25-09-1995 is op verzoek deze vergunning ingetrokken.(…)”.
Belanghebbende was in het verleden werkzaam als douane-expediteur.
2.4. Tot de gedingstukken behoort een besluit van het hoofd van de Belastingdienst/Douanedistrict P, gedagtekend
01-01-1998, met het nummer xx, hetwelk onder meer inhoudt dat “de in onderdeel A van het als bijlage bij dit besluit opgenomen mandaatregister vermelde ambtenaren” worden aangewezen om namens het hoofd de bevoegdheid van Inspecteur uit te oefenen. In de bij het besluit gevoegde
Toelichting is vermeld dat aan belanghebbenden desgevraagd inzage in het register wordt verleend.
Een der in bijlage A genoemde ambtenaren is S voornoemd.
3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen
3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de sub
1.1 genoemde naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende
is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend en
voert daartoe de volgende grieven aan:
1. de naheffingsaanslag is door een onbevoegde ambtenaar opgelegd;
2. belanghebbende had in staat moeten worden gesteld alsnog
vrijstelling van bpm aan te vragen en te verkrijgen;
3. de heffing van bpm is in het onderhavige geval in strijd met
artikel 48 van Pro het EG-Verdrag;
4. de berekening van de verschuldigde bpm op basis van een
vermindering van de maatstaf van heffing met 1 percent per maand is in strijd met artikel 95 van Pro het EG-Verdrag.
3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden
welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.
Zij hebben daaraan ter zitting nog toegevoegd:
Belanghebbende:
Als douane-expediteur had hij geen bemoeienis met de heffing van bpm.
De Inspecteur:
Het mandaatbesluit is op 1 januari 1998 genomen; het hoofd van de eenheid heeft kennelijk ook op die -vrije- dag gewerkt.
Het mandaatbesluit is in een laat stadium aan belanghebbende verstrekt, doch deze is daardoor niet in zijn belang geschaad.
De heffing van bpm vormt geen belemmering voor het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap.
3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en, primair, tot vernietiging van de naheffingsaanslag, en subsidiair tot vermindering van de aanslag tot ƒ 19.702,-- dan wel ƒ 17.813,--.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.
4. Overwegingen omtrent het geschil
4.1. Ten aanzien van de eerste grief overweegt het hof
als volgt.
Het sub 2.4 genoemde geschrift is aan te merken als een algemeen mandaat waarbij (onder meer) S op de voet van artikel 10:5, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo. Artikel 19 van Pro de Uitvoeringsregeling Belastingdienst is aangewezen om namens het hoofd van de eenheid douane te P de bevoegdheid van inspecteur uit te oefenen.
Belanghebbende heeft dienaangaande gesteld dat het mandaatbesluit op 1 januari 1998 niet kan hebben bestaan,
aangezien die dag een feestdag is waarop het hoofd van de eenheid normaliter een vrije dag zal hebben gehad.
Die stelling kan hem niet baten; het ligt immers in de rede
dat, zo die stelling al juist is, het mandaatbesluit is vastgesteld op de eerstvolgende werkdag na 1 januari 1998,
zodat het in elk geval ten tijde van de oplegging van de aanslag bestond.
Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat het besluit niet voldoende bekend is gemaakt. De enkele omstandigheid dat hij, na het besluit in juli 1999 te hebben opgevraagd, dit eerst
op 21 oktober 1999 heeft ontvangen, biedt evenwel geen steun aan die stelling.
Het beroep op artikel 3:42 Awb Pro komt het Hof echter gegrond voor. Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 10:5 Awb Pro is een algemeen mandaat aan te merken als een besluit dat volgens de regels van artikel 3:42 bekend Pro moet worden gemaakt. Van kennisgeving van het onderhavige besluit
in een van overheidswege uitgegeven blad, een dag-, nieuws-
of huis-aan-huisblad, dan wel “op een andere geschikte wijze”
is in casu echter niet gebleken.
Deze omstandigheid leidt evenwel niet tot vernietiging van de aanslag.
Er kan immers van worden uitgegaan dat S werkzaam was onder verantwoordelijkheid van het hoofd van de eenheid douane te P, dat hij bij de oplegging van de litigieuze naheffingsaanslag onder diens verantwoordelijkheid heeft gehandeld en dat hij in elk geval - daarop duidt ook het mandaatbesluit - materieel bevoegd was de onderhavige aanslag op te leggen; uitsluitend de wettelijk voorgeschreven publicatie van het mandaatbesluit ontbreekt. In de gegeven omstandigheden is belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet rechtens relevant benadeeld door het in stand laten van de aanslag; het is immers niet denkbaar dat de aanslag niet - of tot een lager bedrag - zou zijn opgelegd, indien de voorgeschreven publicatie wel had plaatsgevonden.
Gelet op het voorgaande merkt het Hof in casu het ontbreken van de voorgeschreven publicatie met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro aan als de schending van een vormvoorschrift die niet belet dat de aanslag in stand blijft.
4.2. Ingevolge artikel 2, lid 3, jo. artikel 3, lid 3, van het
Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Uitvoeringsbesluit bpm) behoort een verzoek om vrijstelling van bpm te worden ingediend voor de aanvang van het gebruik van de weg in Nederland met de personenauto. Indien aan deze voorwaarde niet is voldaan en - gelijk in casu - het belastbaar feit van artikel 1, lid 5, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet bpm) zich heeft voorgedaan, verplicht geen rechtsregel de Inspecteur het opleggen van een naheffingsaanslag bpm ter zake van dit belastbaar feit achterwege te laten, dan wel een reeds opgelegde naheffingsaanslag ongedaan te maken, in het geval van een belanghebbende, die aan de overige voorwaarden voor de vrijstelling van artikel 2 of Pro 3 van het Uitvoeringsbesluit bpm wel voldoet en op één van beide vrijstellingen alsnog aanspraak maakt; in dit verband is niet van belang of sprake is van opzet om de verschuldigde bpm niet te voldoen.
Het beroep op de brief van de staatssecretaris van financiën van 20 augustus 1999, V-N 1999/42.15, blz. 3758, faalt reeds,
omdat het in het licht van hetgeen in het sub 2.3 genoemde “voorstel tot naheffing” is vermeld niet aannemelijk is, dat belanghebbende op 28 januari 1998 niet wist, dat de aanvang van het gebruik van de weg in ons land met een buitenslands gekentekende auto voor een Nederlandse ingezetene een belastbaar feit is voor de heffing van bpm, nog daargelaten dat de brief veeleer een gedachtewisseling met de Vaste Commissie van Financiën van de Tweede Kamer behelst dan een uitlating van de belastingadministratie waarop een belastingplichtige zich in redelijkheid tegenover haar mag beroepen.
Grief 2 faalt derhalve.
4.3. De heffing van bpm bewerkstelligt geen discriminatie op
grond van de nationaliteit tussen de werknemers van de lidstaten als bedoeld in artikel 48, lid 2, (thans artikel 39) van het EG-Verdrag, noch in zijn algemeenheid, noch in het onderhavige geval.
Evenmin leidt die heffing tot een ongeoorloofde beperking van de uitoefening van de door lid 3 van genoemd artikel gewaarborgde rechten. Zo belanghebbende als werknemer in de zin van genoemd artikel 48 kan Pro worden aangemerkt, en zo al juist is zijn stelling dat zich een “situatie” voordoet waarin “het voor werknemers uit Nederland (…) aantrekkelijker is om een betrekking in Nederland aan te gaan”, dan is die situatie niet in het leven geroepen door de toepassing van de nationale bpm-regeling (die immers in de mogelijkheid van vrijstelling voorziet), maar door de omstandigheid dat belanghebbende in gebreke is gebleven zijn recht op vrijstelling - tijdig - geldend te maken.
Grief 3 faalt derhalve.
4.4. Inzake de vierde grief dient te worden vooropgesteld dat het op de weg van belanghebbende ligt aannemelijk te maken,
dat het in het onderhavige geval op de voet van artikel 10, lid 1, van de Wet bpm berekende bedrag van de belasting, dat wil zeggen zonder rekening te houden met de werkelijke waarde van de auto, hoger is dan het bedrag van de restantbelasting,
dat is begrepen in de waarde van vergelijkbare gebruikte personenauto’s die reeds in Nederland zijn geregistreerd
(HR 10 maart 1999, FED 1999/479*).
Het Hof acht belanghebbende in dit bewijs niet geslaagd; de enkele verwijzing naar in de “de auto prijswijzer” van het eerste kwartaal 1998 vermelde gegevens is daartoe onvoldoende.
Niet aannemelijk is derhalve geworden dat de in artikel 10, lid 1, van de Wet bpm vervatte regeling strijdig is met artikel 95 (thans artikel 90) van het EG-Verdrag, zodat ook de vierde grief van belanghebbende dient te worden verworpen.
Aan dit oordeel kan de omstandigheid dat bij de op 1 mei 1999 in werking getreden wijziging van artikel 10 van Pro de Wet bpm (Wet van 17 december 1998, Stb. 725) een “degressief” afschrijvingssysteem is ingevoerd, niet afdoen.
4.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het gelijk
aan de Inspecteur is. De bestreden uitspraak dient derhalve
te worden bevestigd.
5. Proceskosten
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
Tot het uitspreken van een veroordeling in de kosten van de bezwaarprocedure is het Hof niet bevoegd.
6. Beslissing
Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.
Aldus vastgesteld op 20 september 2000 door mr A. Bijlsma, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van mr C.A.F.M. Stassen, waarnemend- griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
Aangetekend aan partijen verzonden op: 20 september 2000