ECLI:NL:GHSHE:2001:AD6332
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gelijkheidsbeginsel toegepast op aftrek autokostenvergoeding directeur-grootaandeelhouder
Belanghebbende, een onderneming, betaalde aan haar directeur-grootaandeelhouder, de heer T, een autokostenvergoeding zonder dat hij een salaris had bedongen. De Inspecteur stelde dat de heer T geen werknemer was in de zin van artikel 23 van Pro het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 en weigerde daarom de aftrek van de autokostenvergoeding.
Belanghebbende voerde aan dat op grond van het gelijkheidsbeginsel de aftrek wel moest worden verleend, vergelijkbaar met leden van een maatschap die een dergelijke vergoeding ontvangen. De Inspecteur verwees naar eerdere jurisprudentie en mededelingen waarin werd gesteld dat maatschapsleden en directeur-grootaandeelhouders niet gelijk zijn.
Het hof overwoog dat de heer T als directeur-grootaandeelhouder feitelijk en rechtens gelijkgesteld moet worden aan de leden van een maatschap die een dergelijke vergoeding ontvangen. Er was geen objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond voor het verschil in behandeling. Daarom werd het beroep van belanghebbende gegrond verklaard, de naheffingsaanslag verminderd tot ƒ 250,-- en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De naheffingsaanslag werd verminderd tot ƒ 250,-- en de Inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten.