Uitspraak
nr. 20.808
DG.
Hoge Raad
Belanghebbende is een maatschap van advocaten die maandelijks omzetbelasting aangaf. De vennoot [A] ontving een kostenvergoeding voor het gebruik van zijn eigen personenauto ten behoeve van de maatschap. De inspecteur weigerde aftrek van de omzetbelasting op de levering van deze auto omdat deze niet aan de maatschap maar aan de vennoot persoonlijk was gefactureerd.
Het Hof Arnhem bevestigde deze weigering, stellende dat de maatschap als ondernemer geldt en niet de individuele maten, en dat de civielrechtelijke eigendom van de auto doorslaggevend is voor aftrek van voorbelasting. Belanghebbende stelde dat de maten hun beroep zelfstandig uitoefenen en dat de fiscale eenheid van de maatschap en haar maten geldt voor aftrek.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de zelfstandigheid van de maten wordt ontkend en dat de civielrechtelijke eigendom niet doorslaggevend mag zijn. De omzetbelasting op de levering van de auto aan de vennoot kan door de maatschap in aftrek worden gebracht, omdat de auto in het kader van de gezamenlijke onderneming wordt gebruikt.
De uitspraak van het Hof en de Inspecteur worden vernietigd en belanghebbende wordt teruggaaf van de omzetbelasting tot een bedrag van f 3.658,20 verleend.
Uitkomst: De Hoge Raad verleent teruggaaf van omzetbelasting van f 3.658,20 aan de maatschap omdat de auto, hoewel aan een vennoot geleverd, in het kader van de gezamenlijke onderneming wordt gebruikt.