ECLI:NL:GHSHE:2003:AN9548
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- De Groot-van Dijken
- Venhuizen
- Van Wechem
- Rechtspraak.nl
Levering van paard aan derde te goeder trouw en uitleg diefstalbegrip in artikel 3:86 BW
In deze civiele zaak stond de levering van een paard centraal, waarbij de vraag speelde wie de rechtmatige eigenaar was. Appellante stelde eigenaar te zijn geworden van het paard op grond van een afspraak met de oorspronkelijke eigenaar, maar het paard was verkocht en geleverd aan geïntimeerde 1, die zich op goede trouw beriep.
Het hof stelde vast dat geïntimeerde 1 het paard van geïntimeerde 2 had gekocht en geleverd gekregen, en dat hij te goeder trouw was bij de bezitsverkrijging. De koopovereenkomst werd vastgesteld op 1 oktober 2000, vóór de telefonische waarschuwing van appellante aan geïntimeerde 1. Appellante kon niet voldoende bewijzen dat geïntimeerde 1 niet te goeder trouw was.
Verder oordeelde het hof dat het begrip 'diefstal' in artikel 3:86 lid 3 BW Pro niet ook verduistering omvat. Aangezien het paard met toestemming van appellante bij geïntimeerde 2 was, was er geen sprake van diefstal maar hooguit verduistering, waardoor de bescherming van de derdeverkrijger niet werd uitgesloten.
De vorderingen van appellante werden afgewezen en het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank, waarbij appellante werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wees de vorderingen van appellante af en bevestigde dat geïntimeerde 1 te goeder trouw eigenaar is van het paard.