Uitspraak
Rechtbank den haag
[gedaagde] Automobielen B.V.,
Rechtbank Den Haag
De oorspronkelijke eigenaresse van een BMW X5 vorderde in kort geding de teruggave van haar auto van een autobedrijf dat de BMW van een oplichter had gekocht. De auto was via oplichting van haar weggenomen en internationaal als gestolen geregistreerd. De eigenaresse beriep zich primair op het recht van revindicatie en subsidiair op het ontbreken van goede trouw bij het autobedrijf.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het begrip diefstal in artikel 3:86 lid 3 BW Pro strikt moet worden uitgelegd en niet ook op oplichting van toepassing is. De primaire vordering tot teruggave op grond van diefstal faalde daarom. Ten aanzien van de subsidiaire vordering was onvoldoende aannemelijk dat het autobedrijf niet te goeder trouw was bij de verkrijging van de BMW. Het autobedrijf had voorafgaand aan de aankoop controles uitgevoerd en een marktconforme prijs betaald. Ook de omstandigheden waaronder de auto werd aangetroffen en de verklaringen van het autobedrijf overtuigden de rechter niet van het ontbreken van goede trouw.
De rechtbank concludeerde dat de vorderingen niet toewijsbaar waren en dat het Italiaanse recht op de eigendomsoverdracht van toepassing was, waarvan de eigenaresse onvoldoende had onderbouwd dat het haar recht gaf op teruggave. De vordering tot voorschot op schadevergoeding en vergoeding van buitengerechtelijke kosten werden eveneens afgewezen. De kosten van het geding werden aan de eigenaresse opgelegd.
Uitkomst: De vordering tot teruggave van de BMW aan de oorspronkelijke eigenaresse wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van het ontbreken van goede trouw bij het autobedrijf.