ECLI:NL:GHSHE:2004:AO9591
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rothuizen-van Dijk
- Harmsen
- De Lange
- Rechtspraak.nl
Berekening en ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit drugshandel
In deze zaak gaat het om de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel door de veroordeelde uit de handel in verdovende middelen, met name hashish, in de periode van februari 1996 tot en met april 2000. Veroordeelde werd eerder veroordeeld voor het opzettelijk verwerven en voorhanden hebben van geld afkomstig van drugshandel, samen met anderen. Het hof onderzocht of en in welke mate veroordeelde voordeel had behaald uit soortgelijke feiten.
Het hof overweegt dat verjaring zoals bedoeld in artikel 70 Sr Pro niet van toepassing is op de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel bij soortgelijke feiten. De wetsgeschiedenis maakt duidelijk dat er geen tijdsgrens geldt voor het terugzoeken van dit voordeel. Het hof hanteert een aanvangsdatum van 1 maart 1993, aansluitend bij de inwerkingtreding van artikel 36e, tweede lid, Sr, en de start van de drugshandelactiviteiten van de zonen van veroordeelde.
Op basis van verklaringen van veroordeelde, zijn zonen en een getuige, alsmede het rapport van het Bureau Financiële Ondersteuning, stelt het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op fl. 1.008.524,-- (ongeveer €457.648,24). Gezien de termijnoverschrijding past het hof een reductie toe van 10%, waardoor het bedrag wordt vastgesteld op €411.883,42. Veroordeelde wordt verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen.
Het arrest vernietigt het eerdere vonnis en doet opnieuw recht, waarbij het hof het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt en de ontnemingsmaatregel oplegt. De uitspraak is gedaan door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 4 mei 2004.
Uitkomst: Veroordeelde moet €411.883,42 aan wederrechtelijk verkregen voordeel betalen aan de Staat.