In deze zaak stond centraal of de voorgenomen publicatie van artikelen over misstanden die hebben geleid tot het faillissement van bedrijf X onrechtmatig was jegens de voormalige directeuren van het bedrijf. De voorzieningenrechter had een verbod op publicatie opgelegd, maar het hof vernietigde dit vonnis en wees de vorderingen af.
De artikelen betroffen onder meer het niet afdragen van pensioenpremies en vermeende fraude en onduidelijke geldstromen binnen het bedrijf. Het hof overwoog dat deze onderwerpen maatschappelijke misstanden betreffen die de samenleving raken, mede door het grote aantal betrokken werknemers.
Het hof stelde vast dat de artikelen voldoende bronnen vermelden, waaronder de Fiod, oud-medewerkers, de curator en officiële documenten. Tevens waren de standpunten van de directeuren in de artikelen weergegeven, zonder dat zij gemotiveerd hadden gesteld dat deze onjuist waren weergegeven.
Gezien het belang van de vrije meningsuiting en de waakhondfunctie van de media, en het ontbreken van lichtvaardige verdachtmakingen, oordeelde het hof dat de publicaties niet onrechtmatig zijn. De resultaten van lopende onderzoeken behoeven niet te worden afgewacht. Het hof veroordeelde de directeuren in de proceskosten en verklaarde het arrest uitvoerbaar bij voorraad.