ECLI:NL:GHSHE:2006:AY0296
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.W. van der Voort
- J. Swinkels
- F. Sonneveldt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling pleegkinderschap en EVRM-toetsing in successierechtelijke schenking
Belanghebbende stelde dat zij als pleegkind moest worden aangemerkt voor de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Successiewet 1956, wat gevolgen had voor de heffing van schenkbelasting over een schenking van haar oom, de schenker. Zij voerde aan dat de schenker als pleegouder moest worden beschouwd, mede op grond van het zogenaamde opvolgend pleegouderschap. Het hof oordeelde dat deze stelling feitelijk niet werd ondersteund door de gezamenlijke verklaring van belanghebbende en haar familie, waarin werd aangegeven dat een andere oom en tante de rol van gezinshoofd en moederfiguur vervulden, terwijl de schenker slechts een bijkomstige rol als mede-opvoeder had.
Het hof achtte het onaannemelijk dat de schenker gedurende de relevante periode als pleegouder had gefungeerd die belanghebbende als eigen kind zou hebben onderhouden en opgevoed. Ook de subsidiaire stelling dat de wettelijke bepaling in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM Pro werd verworpen. Het hof stelde dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat het EVRM geen recht op erkenning als pleegkind inhoudt wanneer de nationale wet dit niet voorziet.
De uitspraak bevestigt dat belanghebbende niet als pleegkind kan worden aangemerkt en verklaart het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Belanghebbende wordt niet als pleegkind aangemerkt en het beroep wordt ongegrond verklaard.