ECLI:NL:GHSHE:2006:AY5643
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.W.J. Huige
- Rechtspraak.nl
Beoordeling kosten invordering dwangbevel inkomstenbelasting 2002
Belanghebbende kreeg op 20 juli 2004 een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2002 opgelegd van €1.063.469,-- met heffingsrente van €49.312,--. Op 21 juli 2004 werd het aanslagbiljet uitgereikt aan een huisgenoot op het woonadres van belanghebbende, die zelf in het buitenland verbleef. Tegelijkertijd werd een dwangbevel met bevel tot betaling uitgevaardigd en betekend, waarbij op 26 juli 2004 kosten van €10.326,-- in rekening werden gebracht voor het betekenen van het dwangbevel.
Belanghebbende stelde dat hij niet in gebreke was omdat hij niet zelf kennis kon nemen van de aanslag en dat de kosten disproportioneel waren. Het hof oordeelde dat belanghebbende via zijn gemachtigde op 21 juli telefonisch contact had met de ontvanger en dat hij tussen 21 en 26 juli voldoende gelegenheid had om de schuld te voldoen. Ook was niet aannemelijk dat belanghebbende niet over voldoende middelen beschikte. De forfaitaire regeling voor kosten is toegestaan, tenzij er sprake is van een aperte wanverhouding, wat hier niet het geval was.
Het hof verwierp de grieven van belanghebbende en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen. De uitspraak werd op 29 juni 2006 gedaan.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de kosten voor het betekenen van het dwangbevel wordt ongegrond verklaard.