ECLI:NL:GHSHE:2007:BA1998
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- R.J. Koopman
- P. Fortuin
- J.Th. Simons
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WOZ-waarde woning en uitleg artikel 26a Wet WOZ bij kleine afwijkingen
Belanghebbende is eigenaar en bewoner van een vrijstaande woning met garage. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2003 aanvankelijk vast op €355.000, welke bij bezwaar werd verlaagd tot €309.000. Belanghebbende stelde voor een waarde van €247.000. De rechtbank oordeelde dat geen van beide partijen voldoende aannemelijk had gemaakt dat hun waarde correct was en stelde de waarde in goede justitie vast op €300.000.
Het geschil betrof de vraag of de rechtbank het bepaalde in artikel 26a van de Wet WOZ had geschonden door de waarde te verlagen van €309.000 naar €300.000. De heffingsambtenaar voerde aan dat de waarde van €309.000 gehandhaafd had moeten blijven, verwijzend naar de zogenoemde Fierens-drempel en de uitleg van artikel 26a. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen verweer gevoerd.
Het hof oordeelde dat artikel 26a Wet WOZ beoogt kleine geschillen te voorkomen en dat het percentage van maximaal 4% afwijking moet worden toegepast op de waarde zoals vastgesteld bij uitspraak op bezwaar. Gezien deze uitleg werd het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard. De WOZ-waarde werd daarmee vastgesteld op €300.000.
De uitspraak benadrukt het belang van een redelijke en doelgerichte uitleg van artikel 26a Wet WOZ, waarbij kleine afwijkingen binnen de 4% marge als juist worden beschouwd om onnodige procedures te voorkomen. Beide partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het gerechtshof vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond, waarbij de WOZ-waarde op €300.000 wordt vastgesteld.