ECLI:NL:GHSHE:2007:BB4474
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Den Hartog Jager
- Van den Bergh
- Bark–van Gink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijs en bewijslast bij geschil over huurovereenkomst woonruimte en gebruik bovenwoning
In deze civiele zaak stond centraal of er een huurovereenkomst bestond tussen [C.] c.s. en [D.] over een bovenwoning die door [C.] c.s. werd gebruikt. [D.] betwistte het bestaan van een huurovereenkomst en stelde dat het gebruik plaatsvond in het kader van onderhandelingen over een koopovereenkomst. Het hof bevestigde dat de bewijslast voor het bestaan van de huurovereenkomst bij [C.] c.s. ligt.
De kantonrechter had in een tussenvonnis [C.] c.s. belast met het bewijs van de huurovereenkomst, wat het hof bekrachtigde. Betalingen door [C.] c.s. aan [D.] en het gebruik van de woning waren onvoldoende om stilzwijgende instemming tot huur aan te nemen. Ook een concept-huurovereenkomst die later werd voorgelegd, werd niet als bewijs erkend.
Getuigenverklaringen van familieleden werden met terughoudendheid beoordeeld vanwege hun directe belang en onvoldoende concrete aanwijzingen. Het hof concludeerde dat het gebruik van de woning verband hield met de kooponderhandelingen en niet met een zelfstandige huurovereenkomst.
De vordering van [C.] c.s. tot vergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking werd beperkt tot een bedrag van € 1.250,-, omdat alleen de waardevermeerdering van de onroerende zaak in aanmerking komt. De kosten van het hoger beroep werden aan [C.] c.s. opgelegd. Het hof bekrachtigde daarmee het vonnis van de kantonrechter.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het bestaan van een huurovereenkomst niet is bewezen en wijst de vordering van [C.] c.s. af.