ECLI:NL:GHSHE:2009:BH9869

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
27 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
20-001462-08 OWV
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontnemingsvordering wegens onvoldoende causaal verband met strafbaar feit

De veroordeelde verhuurde een woning aan een huurder die later begon met de teelt van hennepplanten. De huurovereenkomst was echter ruim vóór de start van deze criminele activiteiten aangegaan. Toen de verhuurder in mei 2007 op de hoogte raakte van de hennepkwekerij, veranderde dit de grondslag van de huurovereenkomst niet.

Het hof oordeelde dat er onvoldoende causaal verband bestond tussen de ontvangen huurpenningen en het bewezen verklaarde strafbare feit van hennepteelt. De vermogensvermeerdering van de verhuurder was niet het gevolg van de strafbare gedraging van de huurder en kon daarom niet als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt.

De vordering van het openbaar ministerie tot ontneming van het geschatte bedrag van €2.350 werd daarom afgewezen. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en deed opnieuw recht, waarbij de ontnemingsvordering werd verworpen.

De zaak betrof een hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter, waarbij het hof het bewijs en de omstandigheden zorgvuldig heeft gewogen en tot het oordeel kwam dat de verhuurder geen financieel voordeel had genoten uit het strafbare feit.

Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd afgewezen wegens onvoldoende causaal verband.

Uitspraak

Parketnummer: 20-001462-08 OWV
Uitspraak : 27 maart 2009
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Roermond van 4 april 2008 op de vordering ex artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 04-850977-07 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1976],
wonende te [woonplaats], [adres].
Hoger beroep
De veroordeelde heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 maart 2009, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal bevestigen, waarbij het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat is vastgesteld op EUR 2.350,-- en waarbij veroordeelde ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, is verplicht tot betaling van dit bedrag aan de Staat.
Vonnis waarvan beroep
De beroepen beslissing zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
De redengeving
De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 27 maart 2009 (parketnummer 20-001114-08) terzake van het in de periode van mei 2007 tot en met 18 september 2007 medeplichtig zijn aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, veroordeeld tot straf.
Anders dan de eerste rechter en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat veroordeelde uit het bewezen verklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
Het hof overweegt daartoe als volgt. De door veroordeelde van de huurder [naam huurder] ontvangen huurpenningen terzake de woning aan de [adres] te [woonplaats], waren gebaseerd op een huurovereenkomst die was aangegaan ruim vóórdat [naam huurder] met de teelt van hennepplanten was begonnen. De grondslag van de huurovereenkomst was aldus niet gebaseerd op de door [naam huurder] te ontplooien criminele activiteiten. Dit werd niet anders toen veroordeelde in mei 2007 op de hoogte raakte van deze hennepkwekerij.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat er onvoldoende causaal verband bestaat tussen de ontvangen huurpenningen en het bewezen verklaarde strafbare feit.
De vermogensvermeerdering van veroordeelde is derhalve niet voortgevloeid uit de strafbare gedraging en kan daarom niet worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.
De vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van het openbaar ministerie moet derhalve worden afgewezen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.
Wijst af de vordering van het openbaar ministerie strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.
Aldus gewezen door
mr. H. Harmsen, voorzitter,
mr. J. Buhrs en mr. P.H.P.H.M.C. van Kempen,
in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,
en op 27 maart 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. P.H.P.H.M.C. van Kempen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.