ECLI:NL:GHSHE:2009:BI7729
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Brandenburg
- De Groot-van Dijken
- Huijbers-Koopman
- Rechtspraak.nl
Geen rechtsgeldige algehele opeising krediet wegens ontbreken ingebrekestelling
In deze civiele zaak ging het om het hoger beroep van ICS tegen een verstekvonnis waarin de rechtbank een deel van haar vordering wegens niet-nakoming van betalingsverplichtingen door de gedaagde had afgewezen. ICS had drie kredietovereenkomsten met de gedaagde gesloten, waaronder twee Visa Card overeenkomsten en een doorlopend krediet. ICS eiste betaling van achterstanden en een boete wegens het niet inleveren van een Visa Card.
De rechtbank wees een deel van de vordering af omdat ICS niet had voldaan aan de wettelijke vereiste van een ingebrekestelling voorafgaand aan de algehele opeising van het krediet. ICS stelde in hoger beroep dat eerdere rekeningoverzichten als ingebrekestelling konden worden beschouwd en dat zij een redelijke termijn had geboden voor nakoming.
Het hof oordeelde dat de rekeningoverzichten van januari en februari 2006 niet voldeden aan de eisen van een ingebrekestelling, omdat zij geen duidelijke termijn voor nakoming bevatten en geen expliciete waarschuwing dat bij uitblijven van betaling verzuim zou intreden. ICS had geen andere stukken overgelegd die als ingebrekestelling konden gelden. Ook was onvoldoende gespecificeerd hoe de achterstanden zich in tijd en bedrag hadden ontwikkeld om de opeising te rechtvaardigen.
Daarmee werd het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en werd ICS veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het hof benadrukte het belang van een duidelijke ingebrekestelling met een redelijke termijn voor nakoming om rechtsgeldige opeising van het krediet mogelijk te maken volgens artikel 33 WCK Pro.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vordering van ICS af wegens ontbreken van een rechtsgeldige ingebrekestelling.