ECLI:NL:GHSHE:2009:BL7433
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- P.J.M. Bongaarts
- J. Swinkels
- F. Sonneveldt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ondernemingsvermogen vordering in nalatenschap voor bedrijfsopvolgingsfaciliteit
Belanghebbende en haar zus zijn erfgenamen van hun tante, van wie zij aandelen in B bv hebben verkregen. B bv had haar verhuurde panden overgedragen aan C bv, waarbij C bv de koopprijs schuldig bleef, resulterend in een vordering van B op C. De kern van het geschil is of deze vordering kwalificeert als ondernemingsvermogen voor toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de Successiewet.
De rechtbank oordeelde dat de vordering beleggingsvermogen is, omdat de verkoop van panden en omzetting in een vordering slechts leidde tot vervanging van het ene beleggingsactief door een ander. Het hof bevestigt dit oordeel en stelt dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vordering ondernemingsvermogen vormt. Het hof benadrukt dat alleen vermogen met een functie in de objectieve onderneming onder de faciliteit valt.
Verder oordeelt het hof dat de drempel van 15% van artikel 7a, lid 1, Uitvoeringsregeling Successiewet moet worden berekend over de waarde van de aandelen en niet over de waarde van de bezittingen van B bv. Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt dat de vordering van B op C geen ondernemingsvermogen is, waardoor de bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet van toepassing is.