ECLI:NL:GHSHE:2010:BM4407

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
26 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01/02126
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstel van misslagen in uitspraak over naheffingsaanslag en boetebeschikking omzetbelasting

Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 8 januari 2010 uitspraak gedaan in een zaak over een naheffingsaanslag omzetbelasting en een daarbij opgelegde boetebeschikking. Na de uitspraak constateerde het hof dat er kennelijke misslagen waren gemaakt in de vermelding van de boetebedragen en de proceskosten. De boetebeschikking was onjuist vastgesteld op € 25.061,12 in plaats van € 31.326,40, zoals ook in de rechtsoverwegingen was vermeld.

Daarnaast bleek dat de proceskosten aan de zijde van belanghebbende onjuist waren vastgesteld op € 966 in plaats van € 615,75. Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich over deze verbeteringen uit te laten, maar belanghebbende heeft hier geen gebruik van gemaakt. De inspecteur heeft telefonisch gereageerd op de proceskosten.

Op grond van artikel 31 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het arrest van de Hoge Raad van 4 maart 2005 heeft het hof de misslagen hersteld. De uitspraak is op 26 maart 2010 ter openbare zitting verbeterd en de verbeterde versie is aan partijen verzonden.

Uitkomst: Het Gerechtshof herstelt de misslagen in de boetebeschikking tot € 31.326,40 en corrigeert de proceskosten tot € 615,75.

Uitspraak

BELASTINGKAMER
Nr. 01/02126
HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH
H E R S T E L U I T S P R A A K
Uitspraak gedaan ter verbetering van de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Ondernemingen van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, die thans ten aanzien van belanghebbende bevoegd is, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de aan belanghebbende onder aanslagnummer 000.00.000.B01.0315010 over de periode 1 januari 1998 tot en met 31 december 1999 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.
1. De uitspraak in dit geding
1. Het Hof heeft in deze zaak op 8 januari 2010, met nummer 01/02126, schriftelijk uitspraak gedaan. Het Hof heeft nadien ambtshalve bevonden dat deze uitspraak een misslag bevat, doordat per ongeluk in rechtsoverweging 4.17 en onder "5. Beslissing", in het vierde gedachtestreepje, is vermeld: "(...) de boetebeschikking moet worden verminderd tot op € 25.061,12" respectievelijk " vermindert de boetebeschikking tot een bedrag van € 25.061,12". In plaats daarvan hadden deze zinnen moeten luiden, conform hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.16: "(...)de boetebeschikking moet worden verminderd tot op € 31.326,40" respectievelijk "vermindert de boetebeschikking tot een bedrag van € 31.326,40".
2. Bij brief van 21 januari 2010 heeft het Hof partijen in de gelegenheid gesteld zich over deze verbetering uit te laten. Belanghebbende heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. De Inspecteur heeft telefonisch medegedeeld dat het bedrag van de te vergoeden kosten onder "5. Beslissing", in het zesde gedachtestreepje, niet overeenkomt met het bedrag dat is vermeld in rechtsoverweging 4.23.
3. Het Hof heeft -naar aanleiding van de telefonische mededeling van de Inspecteur- bevonden dat de uitspraak tevens een misslag bevat doordat per ongeluk onder "5. Beslissing", in het zesde gedachtestreepje is vermeld "veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 966". In plaats daarvan had deze zin moeten luiden "veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 615,75".
4. Belanghebbende is bij brief van 2 maart 2010 in de gelegenheid gesteld zich over laatstgenoemde verbetering uit te laten, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
5. Het Hof is van oordeel dat het partijen na kennisneming van de overwegingen die voorafgaan aan de te verbeteren passages aanstonds duidelijk moet zijn geweest dat deze passages op een misslag berusten en dat in plaats daarvan de boetebeschikking moet worden verminderd tot op € 31.326,40. Het Hof verwijst hierbij met name naar rechtsoverweging 4.16 waarin het Hof uit het vorenstaande vaststelt dat de boete moet worden verminderd tot een bedrag van € 31.326,40 (10% van fl. 690.343 (€ 313.264)). Het Hof is voorts van oordeel dat het partijen na kennisneming van rechtsoverweging 4.23 aanstonds duidelijk moet zijn geweest dat de passage onder "5. Beslissing", in het zesde gedachtestreepje, op een misslag berust en dat de passage onder "5. Beslissing", in het zesde gedachtestreepje, had moeten luiden: "veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 615,75".
6. Gelet op het vorenstaande zal het Hof, met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 31 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en in navolging van het arrest van de Hoge Raad van 4 maart 2005, nr. 39 561, LJN: AS8612, de hiervoor bedoelde verbeteringen doorvoeren.
2. Beslissing
Het Hof verbetert de fouten in de op 8 januari 2010 in deze zaak gedane schriftelijke uitspraak op de hiervoor weergegeven wijze en stelt de verbeteringen op de minuut van die uitspraak.
Aldus gedaan op 26 maart 2010 door J.W.J. Huige, voorzitter, P. Fortuin en J. Verseput, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.
1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a) de naam en het adres van de indiener;
b) een dagtekening;
c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d) de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.