ECLI:NL:GHSHE:2010:BM8046
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- P.J.M. Bongaarts
- J. Swinkels
- F. Sonneveldt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toepassing artikel 15aj lid 3 Wet Vpb bij ontvoeging dochtermaatschappij in het zicht van liquidatie
Belanghebbende, moedermaatschappij van een fiscale eenheid, heeft A BV ontvoegd per 31 december 2004. A BV leed jaren aan verliezen en had een negatieve vermogenspositie. Kort na de ontvoeging werd faillissement aangevraagd en de onderneming gestaakt.
De kern van het geschil was of de ontvoeging in het zicht van liquidatie had plaatsgevonden, zodat artikel 15aj, lid 3, Wet Vpb van toepassing is. Het hof volgt de rechtbank en de inspecteur in het oordeel dat liquidatie onvermijdelijk was op het ontvoegingstijdstip, ondanks het ontbreken van een formeel ontbindingsbesluit of insolventie.
Belanghebbende stelde dat schulden op nominale waarde moesten worden gewaardeerd, maar het hof verwierp dit en bevestigde dat de schulden op bedrijfswaarde moeten worden gewaardeerd om fiscale ontwijking te voorkomen.
Het hof benadrukte dat de jurisprudentie rond artikel 31 Wet Pro IB'64 niet zonder meer op artikel 15aj Wet Vpb kan worden toegepast, mede omdat hier sprake is van insolventie en gedwongen ontbinding.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt dat de ontvoeging van A BV in het zicht van liquidatie plaatsvond, waardoor artikel 15aj, lid 3, Wet Vpb van toepassing is.