ECLI:NL:PHR:2011:BQ0473
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing artikel 15aj lid 3 Wet Vpb bij ontvoeging dochter in het zicht van liquidatie
Deze zaak betreft de uitleg en toepassing van artikel 15aj, lid 3, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) bij de ontvoeging van een dochtermaatschappij die in het zicht van haar liquidatie verkeert. De belanghebbende, moedermaatschappij van een fiscale eenheid, voerde aan dat de ontvoeging van haar dochtermaatschappij A BV niet onder deze bepaling viel omdat geen formeel besluit tot ontbinding was genomen en dat de schulden van A BV bij ontvoeging op nominale waarde moesten worden gewaardeerd.
De rechtbank Breda en het gerechtshof 's-Hertogenbosch oordeelden dat A BV in het zicht van haar liquidatie was ontvoegd, ondanks het ontbreken van een formeel ontbindingsbesluit, omdat de faillissementsaanvraag was gedaan, de bedrijfsactiviteiten waren gestaakt en de boedel werd vereffend. De schulden moesten daarom op bedrijfswaarde worden gesteld, wat lager was dan de nominale waarde. Het hof verwierp ook het beroep op de Fokker-arresten die volgens belanghebbende een andere waardering voorschrijven.
In cassatie stelde de belanghebbende drie middelen voor: dat artikel 15aj lid 3 niet van toepassing is bij ontvoeging in het zicht van faillissement zonder ontbindingsbesluit; dat het hof een onjuiste maatstaf hanteerde voor het begrip 'in het zicht van'; en dat de schulden pas op lagere waarde mogen worden gesteld als zij daadwerkelijk niet meer betaald hoeven te worden. De procureur-generaal adviseerde de cassatie ongegrond te verklaren, onder meer omdat de term 'liquidatie' ruim moet worden uitgelegd en ook de vereffening na faillissement omvat, en omdat het hof een objectieve maatstaf hanteerde die niet onbegrijpelijk is.
De Hoge Raad volgt dit advies en bevestigt dat artikel 15aj lid 3 Wet Vpb ook van toepassing is bij ontvoeging in het zicht van liquidatie als gevolg van insolventie zonder formeel ontbindingsbesluit, dat het begrip 'in het zicht van' objectief moet worden beoordeeld op het moment van ontvoeging, en dat de bedrijfswaarde van de schulden moet worden bepaald aan de hand van de waarde van de corresponderende vorderingen. De cassatieberoepen worden verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat artikel 15aj lid 3 Wet Vpb ook geldt bij ontvoeging in het zicht van liquidatie zonder formeel ontbindingsbesluit en wijst het cassatieberoep af.