ECLI:NL:GHSHE:2010:BN0678

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
7 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
20-000690-10
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 SvWet stroomlijnen hoger beroep (Stb. 2006, 470)
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verdachte in hoger beroep wegens ontbreken inhoudelijke grieven

De verdachte stelde hoger beroep in tegen het vonnis van de politierechter, maar voldeed niet aan de vereiste actieve proceshouding door geen duidelijke bezwaren tegen het vonnis te formuleren. Hoewel hij een grievenformulier invulde, vermeldde hij slechts dat hij het niet eens was en een advocaat zou raadplegen, zonder inhoudelijke grieven te specificeren.

Het hof oordeelde dat deze formulering onvoldoende was om te bepalen tegen welke beslissing het hoger beroep zich richtte. De advocaat van verdachte verbond geen inhoudelijke gevolgen aan het beroep. Verdachte verscheen niet op de terechtzitting in hoger beroep en lichtte zijn bezwaren niet mondeling toe.

Op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering verklaarde het hof het hoger beroep zonder inhoudelijk onderzoek niet-ontvankelijk. Het hof vond geen gronden om de zaak in hoger beroep te behandelen en wees het beroep af vanwege het ontbreken van een schriftuur houdende grieven.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens het ontbreken van inhoudelijke grieven.

Uitspraak

Parketnummer: 20-000690-10
Uitspraak : 7 juli 2010
VERSTEK, DNIP
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Amsterdam, zitting houdende te 's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 20 februari 2009 in de strafzaak met parketnummer 15-668032-08 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1933],
wonende te [woonplaats], [adres] A.
Hoger beroep
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep, bij gebreke van inhoudelijke grieven.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt: "Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend, noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard."
Deze bepaling is, ingevolge de inwerkingtreding op 1 maart 2007 van de Wet stroomlijnen hoger beroep (Wet van 5 oktober 2006, Stb. 2006, 470), van toepassing op zaken waarin - zoals in deze zaak - het vonnis in eerste aanleg is gewezen op of na 1 maart 2007.
Verdachte heeft ten tijde van het instellen van het hoger beroep op 20 februari 2009 een zogenaamd grievenformulier ingevuld, welk formulier aan de akte rechtsmiddel is gehecht. Op dit formulier is onder het aan te kruisen kopje “( ) Ik ben wel bij de zitting geweest maar ik wil een nieuwe behandeling, om de volgende reden(en):” door verdachte het volgende aangetekend: “Daar ik het niet mee eens ben en een advocaat raadpleeg”.
Hoewel uit bestendige jurisprudentie (o.a. LJN AZ1702 en LJN BB7088) volgt dat aan de formulering van grieven geen hoge eisen moeten worden gesteld, mag blijkens de Memorie van Toelichting behorende bij het wetsvoorstel “Wijziging van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot het hoger beroep in strafzaken, het aanwenden van gewone rechtsmiddelen en het wijzigen van de telastlegging (stroomlijnen hoger beroep)”, kamerstuk 2005-2006, 30320, in het bijzonder in hoger beroep van partijen een actieve proceshouding worden gevergd, waarbij onder meer duidelijk wordt gemaakt wat de bezwaren tegen het vonnis zijn.
Het hof overweegt dat de aantekening op het grievenformulier niet zodanig is geformuleerd dat het hof daaruit kan afleiden wat de bezwaren van de verdachte tegen het vonnis zijn. Verdachte heeft aangetekend dat hij het er niet mee eens is en dat hij een raadsman raadpleegt. Dit laatste heeft verdachte gedaan zonder daaraan inhoudelijke gevolgen voor de onderhavige zaak te verbinden, zoals blijkt uit de brief van mr. H. Blaauw van Tanger Advocaten N.V. te IJmuiden d.d. 23 juni 2010. Het vorenstaande geeft het hof in onvoldoende mate houvast om te kunnen beoordelen tegen welke (deel)beslissing (de bewezenverklaring en/of de strafmaat) het beroep zich kennelijk richt. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de door verdachte ingediende opgave van bezwaren inhoudelijk niet voldoet aan een schriftuur in de zin van artikel 410 van Pro het Wetboek van Strafvordering en niet als zodanig kan worden aangemerkt.
De verdachte is in hoger beroep niet ter terechtzitting verschenen en heeft derhalve zijn bezwaren tegen het vonnis evenmin mondeling toegelicht.
Ambtshalve vindt het hof in het vonnis waarvan beroep geen gronden om de zaak in hoger beroep in behandeling te nemen.
Gezien het vorenstaande zal het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Aldus gewezen door
mr. J. Buhrs-Platschorre, voorzitter,
mr. N.J.L.M. Tuijn en mr. E.F.G.M. Gelderman,
in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,
en op 7 juli 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.