Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2010:BN0784

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
7 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
HV 200.060.959
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Milar
  • Draijer-Udo
  • Enkelaar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 lid 1 aanhef onder f FaillissementswetArt. 288 lid 1 aanhef en sub b en c FaillissementswetArt. 284 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek schuldsaneringsregeling wegens ontbreken minnelijk traject

Appellanten, gehuwd in gemeenschap van goederen, verzochten de rechtbank om toepassing van de schuldsaneringsregeling vanwege een gezamenlijke schuldenlast van ruim €58.000. De rechtbank wees het verzoek af omdat appellanten niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij te goeder trouw waren geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van de schulden en dat zij de verplichtingen van de regeling zouden nakomen.

In hoger beroep stelde het hof vast dat appellanten geen minnelijk traject met schuldeisers hadden gestart, wat een vereiste is volgens artikel 285 lid 1 aanhef Pro onder f Faillissementswet. Appellanten verwezen naar het standpunt van de gemeente dat vanwege de zakelijke aard van de schulden geen minnelijk traject was gestart, maar dit verweer werd verworpen. Het hof benadrukte dat de schuldsaneringsregeling ook geldt voor natuurlijke personen met zakelijke schulden en dat geen onderscheid wordt gemaakt tussen zakelijke en privé schulden.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde appellanten niet-ontvankelijk in hun verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Wel blijft het mogelijk om opnieuw een verzoek in te dienen. De uitspraak werd gedaan op 7 juli 2010.

Uitkomst: Appellanten zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wegens het ontbreken van een minnelijk traject.

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH
Sector civiel recht
Uitspraak: 7 juli 2010
Zaaknummer: HV 200.060.959/01
Zaaknummer eerste aanleg: 206219/FT-RK 10155 en 206223/FT-RK 10-116
in de zaak in hoger beroep van:
[A.] en [B.],
beiden wonende te [woonplaats],
appellanten,
hierna ook te noemen: [A.] respectievelijk [B.],
advocaat: mr. M.J.M. Strijbosch.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 22 maart 2010.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 maart 2010, hebben appellanten ieder voor zich verzocht voormeld vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog de schuldsaneringsregeling op appellanten van toepassing te verklaren.
2.2. Gelet op de onderlinge samenhang van de zaken, heeft het hof de beide zaken gevoegd behandeld.
2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 juni 2010.
Bij die gelegenheid zijn appellanten gehoord, bijgestaan door mr. Strijbosch.
2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 15 maart 2010;
- de stukken van de eerste aanleg bij de brief van mr. Strijbosch d.d. 1 april 2010;
- de brief met bijlagen van mr. Strijbosch d.d. 18 juni 2010;
- de ter zitting door mr. Strijbosch overgelegde producties.
3. De beoordeling
3.1. Appellanten, met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen, hebben de rechtbank verzocht om ten aanzien van ieder van hen de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de gelijkluidende verklaringen ex artikel 285 Faillissementswet Pro (Fw) van ieder van appellanten blijkt een totale schuldenlast van € 58.844,70. Daaronder bevinden zich schulden aan:
- ABN Amrobank van ruim € 28.000,-- (2005)
- Interbank van ruim € 13.000,-- (april 2009)
- Prijstopper (via Laserservices) van € 3.535,-- (mei 2009)
- Meubelconcurrent (via Santander Consumer Finance) van € 3.375,-- (juni 2009).
3.2. Bij vonnis waarvan beroep zijn de verzoeken van appellanten afgewezen.
De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef Pro en sub b en c Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat appellanten ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw zijn geweest, en ook niet dat appellanten de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen.
3.3. Van die beslissing zijn appellanten in hoger beroep gekomen. Voor wat betreft de stellingen van appellanten verwijst het hof naar de inhoud van het beroepschrift.
3.4. Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.5. Bij brief van 1 april 2010 heeft de advocaat van appellanten het inleidende verzoekschrift ex artikel 284 Fw Pro met bijlagen van [A.] overgelegd. Uit de bij dit verzoekschrift gevoegde verklaring schuldsanering ex artikel 285 lid 1 onder Pro e (Fw) is het hof gebleken dat geen minnelijk traject is gestart met als reden dat [A.] een ex-ondernemer is. Ook uit de verklaring schuldsanering ex artikel 285 lid 1 onder Pro e (Fw) van zijn echtgenote [B.] blijkt dat ook in haar geval geen minnelijk traject is gestart, omdat haar partner, [A.], ex-ondernemer is.
3.6. In artikel 285 lid Pro 1, aanhef onder f (Fw) is bepaald dat in het verzoekschrift of in een daarbij te voegen bijlage moet worden opgenomen een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buiten- gerechtelijke schuldregeling te komen, alsmede over welke aflossingsmogelijkheden de verzoeker beschikt, afgegeven door het college van burgermeester en wethouders van de gemeente van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar.
3.7. Zoals in rechtsoverweging 3.6. is overwogen, is in de 285-verklaringen van appellanten aangegeven dat geen minnelijk traject is gestart, omdat [A.] ex-ondernemer is en [B.] de partner van ex-ondernemer.
Het hof stelt vast dat beide verklaringen onvoldoende met redenen zijn omkleed.
Zonder een verklaring dat de schuldenaar tevergeefs pogingen heeft ondernomen om met zijn schuldeisers tot een minnelijk vergelijk te komen kan de regeling niet van toepassing worden verklaard (kamerstukken 11, vergaderjaar 1997/1998, 25672 nr 3).
3.7.1. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben appellanten desgevraagd verklaard dat geen minnelijk traject is gestart, omdat de gemeente zich op het standpunt stelt dat de schulden van appellanten voornamelijk zakelijke schulden betreffen die betrekking hebben op de inmiddels geliquideerde eenmanszaak van [A.] en dat om die reden de gemeente geen pogingen heeft ondernomen om met de schuldeisers tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Dit verweer wordt verworpen.
3.7.2. Immers, in de eerste plaats is de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing op alle natuurlijke personen, óók op hen die een beroep of een bedrijf uitoefenen.
Daarnaast overweegt het hof dat in het kader van de wettelijke schuldsaneringsregeling geen onderscheid wordt gemaakt tussen schulden die zakelijk dan wel privé zijn ontstaan. (memorie van toelichting , Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 22 969, nr. 3).
3.8. Gelet op hetgeen hier voor is overwogen is het hof van oordeel dat appellanten niet ontvankelijk zijn in hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.
3.9. Het vorenstaande laat overigens onverlet dat met het uitspreken van de niet-ontvankelijkheid de bevoegdheid om opnieuw een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling te doen niet verloren gaat. (conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad van 15 april 2010 in de zaak met zaaknummer 10/00447; LJN: BM8083).
3.10. Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende beslissing.
4. De uitspraak
Het hof:
Vernietigt het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 22 maart 2010;
En opnieuw rechtdoende:
Verklaart appellanten niet-ontvankelijk in hun verzoeken de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.
Dit arrest is gewezen door mrs. Milar, Draijer-Udo en Enkelaar en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2010.