ECLI:NL:GHSHE:2010:BP7293
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Belastingrechtelijke beoordeling van aan- en verkoop onroerend goed en aanmerkelijk belang
Belanghebbende had in zijn aangifte over 2001 nagelaten aan te kruisen dat hij en zijn echtgenote een aanmerkelijk belang in een NV hadden en hield geen rekening met de gebruikelijk loon regeling. Het hof oordeelt echter dat deze feiten niet leiden tot het niet doen van de vereiste aangifte en bevestigt de juiste bewijslastverdeling.
Belanghebbende kocht in 2001 een complex onroerende zaken en verkocht dit binnen een maand met winst. De inspecteur belastte deze winst als resultaat uit overige werkzaamheden, maar het hof acht niet aannemelijk dat belanghebbende redelijkerwijs een voordeel kon verwachten. De aankoopprijs was niet onwaarschijnlijk laag, belanghebbende was geen deskundige in onroerend goed en er was geen bewijs van intentie tot onmiddellijke doorverkoop.
De inspecteur nam een gebruikelijk loon aan, maar het hof acht aannemelijk dat er weinig werkzaamheden waren en dat deze door de statutair directeur werden verricht. Het hof oordeelt ook dat er geen misbruik van bevoegdheden door de inspecteur is gemaakt. Verder acht het hof het bestaan van een vordering van belanghebbende op de BV aannemelijk, waardoor ontvangen bedragen als aflossing op die vordering moeten worden beschouwd in plaats van als inkomen uit aanmerkelijk belang.
Het hof verklaart het hoger beroep van de inspecteur ongegrond en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en vermindert de aanslag. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen, maar de inspecteur wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof vermindert de aanslag en verklaart het incidenteel hoger beroep van belanghebbende gegrond, terwijl het hoger beroep van de inspecteur ongegrond wordt verklaard.