ECLI:NL:GHSHE:2010:BP7305
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake vrijstelling BPM bij terugkeer en verblijfplaats van belanghebbende
Belanghebbende verzocht om vrijstelling van BPM voor vier voertuigen die zij in 2006 vanuit Duitsland naar Nederland bracht, na een periode van verblijf in Duitsland van 1998 tot 2006. De Inspecteur wees deze verzoeken af, waarna belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens in beroep ging bij de Rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat zij gedurende de periode in Duitsland had gewoond en haar normale verblijfplaats in 2006 naar Nederland had overgebracht, waardoor zij recht zou hebben op vrijstelling van BPM. Tevens voerde zij aan dat de Wet BPM in strijd zou zijn met het EG-verdrag en dat de Rechtbank niet op alle gronden had beslist.
Het Hof stelde vast dat belanghebbende gedurende de periode 1998-2006 zowel persoonlijke als beroepsmatige bindingen in Nederland had behouden, waaronder regelmatige bezoeken aan haar kinderen en werk voor een Nederlandse vennootschap. Er was onvoldoende bewijs van persoonlijke bindingen in Duitsland. Het Hof oordeelde dat de BPM geen invoerrecht of heffing van gelijke werking is en dat geen strijd met het EG-verdrag bestaat.
Daarom concludeerde het Hof dat belanghebbende haar normale verblijfplaats niet naar Duitsland had verplaatst en dus ook niet terug naar Nederland, waardoor zij geen recht had op vrijstelling van BPM. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vrijstelling van BPM wordt geweigerd omdat belanghebbende haar normale verblijfplaats niet naar Duitsland heeft verplaatst.