ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ2859
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- P.J.M. Bongaarts
- W.E.M. van Nispen tot Sevenaer
- H.M.N. Schonis
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanmerkelijk belang en vervreemding optierechten werknemer
Belanghebbende, werknemer binnen een concern, verkreeg in 1997 en 1998 in totaal 10.000 optierechten op aandelen B. De aandelen A en B verschilden in vermogensrechten, waardoor sprake was van soortaandelen en daarmee een aanmerkelijk belang volgens artikel 20a Wet IB 1964.
Belanghebbende sloot in 1999 overeenkomsten waarin hij tegen vergoeding afzag van het uitoefenen van zijn optierechten. Het hof oordeelde dat dit afzien gelijkgesteld moet worden met vervreemding van het aanmerkelijk belang, ondanks dat de optierechten formeel bleven bestaan.
De omvang van de winst uit aanmerkelijk belang werd vastgesteld op het bedrag van de vergoeding minus reeds geheven loonbelasting. Het beroep op opgewekt vertrouwen dat geen navorderingsaanslag zou worden opgelegd, werd verworpen omdat geen toezegging of standpuntbepaling van de inspecteur was aangetoond.
Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarbij ook werd geoordeeld dat geen proceskostenveroordeling op zijn plaats was.
Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag bevestigd.