ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ5553
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- J.W.J. Huige
- P.A.G.M. Cools
- J.M. Verstaate
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake lijfrenteaftrek na beëindiging melkveehouderij en vervangingsreserve
Belanghebbende en zijn echtgenote oefenden tot eind 1999 een agrarische onderneming uit, waaronder een melkveebedrijf. In 1998 werd het melkquotum verkocht en een vervangingsreserve gevormd. In 2000 trad een BV toe tot de maatschap, waarbij het melkveebedrijf definitief werd gestaakt en besloten werd geen nieuw melkquotum aan te schaffen.
Belanghebbende bracht in zijn aangifte een lijfrentepremieaftrek in mindering op de stakingswinst, gebaseerd op een overeenkomst met de BV. De Inspecteur betwistte dat deze lijfrenteaftrek terecht was, omdat er geen sprake was van overdracht van een gedeelte van de onderneming in de zin van artikel 45, lid 7 Wet IB 1964.
Het Hof oordeelde dat het melkveebedrijf definitief was beëindigd en niet meer vatbaar voor overdracht. De vrijgevallen vervangingsreserve behoort tot de stakingswinst, maar kan niet worden aangemerkt als tegenprestatie voor overdracht van een gedeelte van de onderneming. Daarom is de lijfrenteaftrek slechts toegestaan voor het evenredige deel dat betrekking heeft op de overige overgedragen onderdelen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de aanslag is bevestigd zonder aftrek van de volledige lijfrentepremie.