Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ6275

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
26 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
HV 200.082.083
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 354 lid 1 FaillissementswetArt. 354 lid 2 FaillissementswetArt. 358 lid 2 FaillissementswetArt. 316 lid 1 FaillissementswetArt. 350 lid 1a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling zonder toekenning schone lei wegens tekortkomingen

De zaak betreft een hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigde zonder toekenning van de schone lei aan [X.]. De schuldenaar had vanaf april 2009 niet voldaan aan zijn informatieplicht en andere verplichtingen, hoewel hij een erfenis had ontvangen waarmee alle schuldeisers waarschijnlijk betaald konden worden.

De rechtbank oordeelde dat volledige nakoming van alle verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling essentieel is voor het verkrijgen van de schone lei, ongeacht of de schulden kunnen worden voldaan. Het hof bevestigt dit en benadrukt dat de schuldenaar door zijn gedrag de doeltreffende uitvoering van de regeling heeft gefrustreerd.

Ondanks herhaalde waarschuwingen van de bewindvoerder weigerde [X.] medewerking te verlenen, wat leidde tot een boedelachterstand en het niet kunnen vaststellen van het vrij te laten inkomen. Het hof stelt vast dat de tekortkomingen niet van geringe betekenis zijn en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

Uitkomst: De schuldsaneringsregeling wordt beëindigd zonder toekenning van de schone lei wegens tekortkomingen van de schuldenaar.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Sector civiel recht
Uitspraak: 26 mei 2011
Zaaknummer: HV 200.082.083/01
Zaaknummer eerste aanleg: 07/1125 R
in de zaak in hoger beroep van:
[X.],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: [X.],
advocaat: mr. C.C.J. Aarts.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 februari 2011.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 10 februari 2011, heeft [X.] verzocht voormeld vonnis te vernietigen, uitsluitend voor zover hem geen schone lei is verleend en, opnieuw rechtdoende, hem de schone lei alsnog te verlenen.
2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 mei 2011. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- [X.], bijgestaan door mr. C.C.J. Aarts;
- mevrouw M.P.J.M. van der Lee, hierna te noemen: de bewindvoerder.
2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 7 januari 2011;
- de stukken van de eerste aanleg, afkomstig van de griffie van voornoemde rechtbank, ingekomen op 18 februari 2011;
- het eindverslag d.d. 3 november 2010 en de crediteurenlijst, afkomstig van de bewindvoerder, ingekomen ter griffie op 4 mei 2011;
- het faxbericht met bijlagen van de advocaat van [X.] d.d. 9 mei 2011;
- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 12 mei 2011.
3. De beoordeling
3.1. Bij vonnis van 7 december 2007 is ten aanzien van [X.] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
3.2. Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 354 lid 1 Faillissementswet Pro (Fw) vastgesteld dat [X.] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.
De rechtbank heeft verstaan dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.
Daar inmiddels de looptijd van de schuldsaneringsregeling was verstreken, heeft de rechtbank tevens haar eindoordeel gegeven. De rechtbank heeft daarbij geen toepassing gegeven aan artikel 354 lid 2 Fw Pro, zodat op grond van artikel 358 lid 2 Fw Pro aan [X.] geen schone lei is verleend.
3.3. De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd. De schuldenaar is zijn verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling vanaf april 2009 niet nagekomen. De schuldenaar heeft verklaard dat hij niet meer aan zijn verplichtingen heeft voldaan, omdat hij verwachtte dat de te ontvangen erfenis van zijn vader voldoende zou zijn om alle schuldvorderingen te voldoen. De rechtbank is van oordeel dat voor het verkrijgen van de schone lei van essentieel belang is dat de schuldenaar al zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling nakomt, ook wanneer de mogelijkheid bestaat dat alle schuldvorderingen betaald kunnen worden.
3.4. [X.] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
[X.] heeft in het beroepschrift zoals aangevuld ter zitting in hoger beroep - kort samengevat - aangevoerd, dat hij van de bewindvoerder heeft begrepen dat al zijn schuldeisers volledig zullen worden voldaan uit hetgeen zich in de boedel bevindt. [X.] heeft namelijk in de periode dat de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing was, een erfenis ontvangen van zijn intussen overleden vader. Met die erfenis heeft [X.] al zijn schuldeisers volledig kunnen betalen, althans zullen al deze schuldeisers volledig betaald kunnen worden. Niet valt in te zien waarom in dat geval [X.] nog andere of nadere verplichtingen zou dienen na te komen, nu de bedoeling van de schuldsaneringsregeling is dat de belangen van de schuldeisers gewaarborgd worden en dat er voor de schuldeisers zoveel mogelijk middelen liquide gemaakt dienen te worden zodat zij een groot deel van hun vordering betaald kunnen krijgen. Het kan niet zo zijn dat de wettelijke verplichtingen van de saniet verder strekken dan het doel waartoe deze verplichtingen in het leven zijn geroepen en dat zij doel op zichzelf worden in plaats van een middel om een doel te bereiken. Het is daarom dat de rechtbank ten onrechte geen “schone lei” aan [X.] heeft afgegeven. [X.] heeft daarbij wel belang, ook al kunnen naar zijn zeggen alle schuldeisers uit de erfenis voldaan worden, aangezien hij anders alsnog de wettelijke rente over zijn schulden ad € 31.835,- verschuldigd zal zijn. Het gaat daarbij om een bedrag van een paar duizend euro, aldus [X.].
3.4.1. De bewindvoerder heeft in het eindverslag d.d. 3 november 2010 geadviseerd om de schone lei aan [X.] te weigeren. Immers, [X.] heeft over de periode van 30 april 2009 tot op dat moment niet voldaan aan zijn informatieplicht, zodat bij het opmaken van dat verslag niet kon worden beoordeeld of betrokkene al dan niet aan alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan. Daarnaast was er op 30 april 2009 sprake van een boedelachterstand ter hoogte van € 1.205,85, welke achterstand, ondanks het verzoek van de bewindvoerder, niet is voldaan.
De bewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep haar standpunt gemotiveerd gehandhaafd.
3.5. Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.5.1. De schuldsaneringsregeling heeft tot doel natuurlijke personen die in een uitzichtloze financiële positie zijn gekomen, de kans te bieden weer met een schone lei verder te kunnen gaan. Daar staat tegenover dat van de schuldenaar een actieve medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling gevergd wordt. Zo rust op de schuldenaar in het tijdvak waarop de schuldsaneringsregeling van toepassing is de verplichting een “zo groot mogelijke en zware inspanning” te leveren om het boedelactief te maximeren ten behoeve van schuldeisers. Deze inspanningsverplichting om inkomsten te verwerven kan, zoals in het onderhavige geval, concreet tot uitdrukking komen in de informatie- en inlichtingenplicht en de verplichting van de schuldenaar inkomsten die aan de boedel toekomen c.q. de maandelijkse ‘aflossing’ aan de bewindvoerder af te staan.
3.5.2. Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw Pro te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken.
Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw Pro dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.
3.5.3. Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, blijkt dat [X.] vanaf april 2009 niet meer aan zijn verplichtingen in het kader van de schuldsaneringsregeling heeft voldaan; overigens blijkt uit de verslagen dat [X.] voordien niet steeds volledig c.q. moeizaam aan onder meer de informatieplicht voldeed: zie bij het 3e verslag onder 3, mede in samenhang bezien met het 2e verslag onder 3. [X.] verwachtte dat de erfenis die hij als gevolg van het overlijden van zijn vader op 25 oktober 2008 zou ontvangen, voldoende zou zijn om zijn schulden volledig te voldoen. [X.] heeft onder meer gesteld dat hij hiertoe is overgegaan omdat ook de bewindvoerder deze verwachting deelde.
Het hof overweegt dat de bewindvoerder weliswaar in het vervolgverslag van 18 januari 2010 heeft genoteerd dat wanneer het kindsdeel van de erfenis van de vader aan de boedel wordt overgemaakt, het de verwachting is dat er 100% aan de crediteuren kan worden uitbetaald, maar dat de bewindvoerder [X.] in datzelfde verslag er óók op heeft gewezen dat hij het maandelijkse verschil tussen het werkelijk genoten inkomen en het vrij te laten bedrag aan de boedel dient te voldoen en dat indien na volledige betaling van de aangemelde schuldvorderingen én de boedelschulden, er een boedelsaldo resteerde, dit aan [X.] zou worden terugbetaald.
Het hof is van oordeel dat het vooruitzicht dat de schulden in de toekomst waarschijnlijk uit de erfenis van de vader van [X.] kunnen worden voldaan, [X.] niet ontslaat van zijn verplichtingen in het kader van de schuldsaneringsregeling. [X.] is hier door de bewindvoerder ook herhaaldelijk op gewezen, doch [X.] is blijven volharden in zijn weigerachtige houding; sterker nog: [X.] heeft, ofschoon het op zijn weg lag de bewindvoerder zelf van informatie te voorzien, zelfs niet gereageerd op verzoeken om contact op te nemen en/of informatie te overleggen aan de bewindvoerder (zie onder meer het eindverslag onder 1), mede waardoor de bewindvoerder onder meer niet in staat bleek het vrij te laten inkomen over de periode vanaf mei 2009 te berekenen en, meer in het algemeen, niet meer in staat was uitvoering te geven aan de taken die aan betrokkene door de wetgever op grond van artikel 316 lid 1 Fw Pro zijn toegekend. [X.] heeft daarmee een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling gefrustreerd. Daarbij stelt het hof nog vast dat ten tijde van, bijvoorbeeld, de voordracht tot beëindiging van de schuldsanering de exacte hoogte van het aan [X.] toekomende deel van de erfenis van diens overleden vader nog steeds niet bekend was, laat staan dat het aan [X.] toekomende deel op dat moment (26 november 2010) door de boedel was ontvangen; eerst in januari 2011 zou de definitieve uitdelingslijst vereffening nalatenschap van de op 25 oktober 2008 overleden vader tot stand komen, dat is na afloop van de reguliere schuldsaneringsregeling en zo’n achttien maanden gerekend vanaf het moment dat [X.], tegen de herhaalde verzoeken van de bewindvoerder in, besloot niet meer aan de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling te voldoen, maar ondertussen, ook omdat hijzelf geen verzoek tot tussentijdse beëindiging op grond van, uitgaande van zijn perceptie, artikel 350 lid Pro 1 a Fw deed, wel de “bijzondere” bescherming van de schuldsaneringsregeling bleef genieten.
Het hof is derhalve van oordeel dat [X.] oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van de schuldsaneringsregeling door wel de bescherming van de schuldsaneringsregeling te willen genieten, waaronder het op afstand houden van de schuldeisers en het bevriezen van de schulden, maar het recht in eigen handen heeft genomen door niet te voldoen aan de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling: wel de lusten, maar niet de lasten
3.5.4. Het aan [X.] uitgekeerde bedrag is op 18 januari 2011 op de boedelrekening gestort. Na voldoening van alle vorderingen, voor zover op dit moment bekend, zal volgens de bewindvoerder een bedrag van € 30,- resteren.
Voor zover [X.] van mening is dat voor de vraag of de schone lei wordt toegekend van doorslaggevende betekenis is dat de schulden volledig kunnen worden afgelost hoewel aan de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling niet is voldaan, volgt het hof [X.] daarin niet. Deze stellingname vindt geen steun in de wet noch in de jurisprudentie.
3.5.5. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [X.] terecht heeft beëindigd zonder toekenning van de “schone lei”. Het hof stelt vast dat [X.] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Het hof ziet geen aanleiding om op de voet van artikel 354 lid 2 Fw Pro te bepalen dat deze tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.
3.6. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
4. De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 4 februari 2011.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.T.M. Raab, L.Th.L.G. Pellis en R.R. Everaars-Katerberg en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2011.