ECLI:NL:GHSHE:2011:BT2284

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
HV 200.086.610
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. van Ham
  • W.Th.M. Raab
  • M.C. Bijleveld-van der Slikke
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 FWArt. 15b lid 1 FWArt. 137a lid 1 FWArt. 284 FW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verzoek schuldsaneringsregeling na faillissement

De zaak betreft een hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Roermond waarbij het verzoek van de faillietverklaarde [X.] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen. [X.] stelde dat zij door psychische problemen als gevolg van een echtscheiding niet in staat was binnen de gestelde termijn een verzoek tot schuldsanering in te dienen.

Het hof heeft overwogen dat het faillissementsverzoek door een schuldeiser was ingediend en dat omzetting naar schuldsanering slechts mogelijk is indien niet toe te rekenen omstandigheden binnen veertien dagen na verzending van de griffiersbrief dit verhinderen. [X.] heeft haar stelling onvoldoende onderbouwd, aangezien zij geen medische verklaring overlegde die haar psychische toestand bevestigde.

Daarmee oordeelde het hof dat de rechtbank terecht niet-ontvankelijk had verklaard in het verzoek tot beëindiging van het faillissement onder gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling. Het hof wees tevens op de mogelijkheid voor [X.] om na afwikkeling van het faillissement een nieuw verzoek tot schuldsanering in te dienen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afwijst wegens onvoldoende onderbouwing van niet toe te rekenen omstandigheden.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Sector civiel recht
Uitspraak: 21 september 2011
Zaaknummer: HV 200.086.610/01
Zaaknummer eerste aanleg: 108221/FT-RK 11.211
in de zaak in hoger beroep van:
[X.],
wonende te [woonplaats],
appellante,
hierna te noemen: [X.],
advocaat: mr. A. van den Eshoff.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Roermond van 26 april 2011.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 mei 2011, heeft [X.] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de wettelijke schuldsaneringsregeling op haar van toepassing te verklaren.
2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 september 2011.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- [X.], bijgestaan door mr. Van den Eshoff,
- de curator in het faillissement van [X.], mr. F.G.J.W.C. Gielen.
2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 21 april 2011,
- de brieven met bijlagen van de curator van 17 mei 2011 en 27 juli 2011,
- de brief met bijlage van mr. Van den Eshoff d.d. 2 augustus 2011.
3. De beoordeling
3.1. Bij vonnis van 27 oktober 2009 is [X.] door de rechtbank Roermond in staat van faillissement verklaard met aanstelling van mr. F.G.J.W.C. Gielen tot curator.
3.2. Bij brief van 28 februari 2011 heeft [X.] de rechtbank verzocht het faillissement op te heffen onder het gelijktijdig van toepassing verklaren van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
3.3. Bij vonnis, waarvan beroep, is het verzoek van [X.] afgewezen.
Van die beslissing is [X.] in hoger beroep gekomen. Voor wat betreft de stellingen van [X.] verwijst het hof naar de inhoud van het beroepschrift.
3.4. De rechtbank heeft [X.] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek. Daartoe heeft zij, samengevat, overwogen dat niet is gebleken dat [X.] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het verzoek tot faillietverklaring niet in de gelegenheid is gesteld om te verzoeken de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren en voorts dat [X.] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet eerder een dergelijk verzoek heeft kunnen indienen.
3.5. In artikel 15b lid 1 van de Faillissementswet (FW) is bepaald dat indien redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de gefailleerde wegens hem toe te rekenen omstandigheden binnen de termijn bedoeld in artikel 3, eerste lid, geen verzoekschrift heeft ingediend tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling, of indien het faillissement is uitgesproken op eigen aangifte van de schuldenaar, de rechtbank, totdat de verificatievergadering is gehouden of, indien de verificatievergadering achterwege blijft, totdat de rechter-commissaris de beschikking als bedoeld in artikel 137a, eerste lid, heeft gegeven, op verzoek van de gefailleerde diens faillissement kan opheffen onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
3.5.1. Het hof stelt in de eerste plaats vast dat het faillissementsverzoek door een schuldeiser van [X.] bij de rechtbank is ingediend. In die situatie is de mogelijkheid van omzetting beperkt tot het geval dat de schuldenaar wegens hem niet toe te rekenen omstandigheden heeft nagelaten binnen een (in artikel 3 bedoelde Pro) termijn van veertien dagen na verzending van de brief van de griffier, een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen. Bij niet toe te rekenen omstandigheden gaat het derhalve om omstandigheden die zich hebben voorgedaan binnen de bedoelde termijn van veertien dagen (HR 10 juni 2005, NJ 2005, 314 en LJN: AS9036).
3.5.2. Het hof is van oordeel dat niet gebleken is van [X.] niet toe te rekenen omstandigheden waardoor zij kort na indiening van het faillissementsverzoek niet in staat is geweest een schuldsaneringsverzoek in te dienen. [X.] heeft gesteld dat zij als gevolg van de perikelen rondom de echtscheiding psychisch niet in orde was en om die reden niet heeft begrepen wat in de brief van de griffier stond vermeld. Het hof is van oordeel dat [X.] haar stelling niet heeft onderbouwd. [X.] heeft niets overgelegd waaruit de juistheid van haar stelling blijkt. Naar het oordeel van het hof had het op de weg van [X.] gelegen een verklaring over te leggen van bijvoorbeeld een arts of een psycholoog, waaruit blijkt dat haar psychische toestand destijds zodanig slecht was dat zij niet in staat is geweest om binnen de daarvoor gestelde termijn als bedoeld in artikel 3 FW Pro een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen. Dat leidt tot de slotsom dat de rechtbank [X.] terecht niet ontvankelijk heeft verklaard in haar verzoek tot beëindiging van het faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de schuldsaneringsregeling.
3.6. Het hof wijst er ten overvloede nog op dat, zodra het faillissement van [X.] is afgewikkeld en zij het minnelijk traject heeft doorlopen zonder dat dit heeft geleid tot een minnelijke regeling met de schuldeisers, [X.] alsdan op grond van artikel 284 FW Pro een hernieuwd verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling bij de rechtbank kan indienen.
4. De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, W.Th.M. Raab en M.C. Bijleveld-van der Slikke en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2011.