ECLI:NL:GHSHE:2012:BW5149

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
1 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
HV 200.102.136
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 sub c FwArt. 350 lid 3 sub d FwArt. 362 lid 2 FwArt. 359 RvArt. 278 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling

Appellanten zijn in eerste aanleg onder de schuldsaneringsregeling geplaatst. De rechtbank heeft deze regeling tussentijds beëindigd omdat zij hun verplichtingen niet naar behoren zijn nagekomen en een bovenmatige schuld hebben laten ontstaan.

Appellanten zijn tegen deze beslissing in hoger beroep gekomen, maar hebben geen gronden of petitum in hun beroepschrift opgenomen. Ook hebben zij niet de vereiste stukken uit eerste aanleg overgelegd.

Het hof oordeelt dat het beroepschrift niet voldoet aan de wettelijke eisen en procesreglementen, waardoor appellanten niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep. De tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Appellanten worden niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Sector civiel recht
Uitspraak: 1 mei 2012
Zaaknummer: HV 200.102.136/01
Zaaknummers eerste aanleg: 11/321 R en 11/322 R
in de zaak in hoger beroep van:
[X.], en [Y.],
beiden wonende te [woonplaats],
appellanten,
hierna ook te noemen: [appellant] respectievelijk [appellante],
advocaat: mr. F.J.V.H. Stoffels.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Breda van 8 februari 2012.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschrift met productie, ingekomen ter griffie op 16 februari 2012, hebben appellanten ieder voor zich verzocht om hen een termijn te gunnen voor het aanvullen van de gronden van dit (pro forma) verzoekschrift in hoger beroep.
2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 april 2012. Bij die gelegenheid zijn gehoord: [appellant] en [appellante]. Mr. M. van Merriënboer, hierna: de bewindvoerder, is, met voorafgaand bericht van verhindering, niet ter zitting in hoger beroep verschenen. Mr. Stoffels c.q. diens kantoorgenoot is, zonder voorafgaand bericht van verhindering, niet ter zitting in hoger beroep verschenen.
2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 25 januari 2012;
- de brief d.d. 20 april 2012 van de bewindvoerder;
- de brief d.d. 23 april 2012 van [casemanager schuldhulpverlening], casemanager schuldhulpverlening bij de gemeente Moerdijk.
3. De beoordeling
3.1. Bij vonnis van 18 april 2011 is ten aanzien van beide appellanten de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
3.2. Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef Pro en sub c en sub d Faillissementswet (Fw) ten aanzien van beide appellanten de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder d.d. 10 oktober 2011 tussentijds beëindigd, nu zij één of meer van hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zijn nakomen en zij een bovenmatige schuld hebben laten ontstaan. De schuldsaneringsregeling ten aanzien van beide appellanten eindigt door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis.
3.3. [appellant] en [appellante] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.
3.4. [appellant] en [appellante] hebben in hun beroepschrift het hof verzocht om hen een termijn te gunnen voor het aanvullen van de gronden van het (pro forma) beroep.
3.5. Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.5.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 16 februari 2012, zijn [appellant] en [appellante] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Breda d.d. 8 februari 2012, waarbij de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] en [appellante] is beëindigd. Uit de inhoud van dit beroepschrift is het hof gebleken dat [appellant] en [appellante] geen enkele grief hebben geformuleerd tegen het vonnis, waarvan beroep. Het hof is van oordeel dat daarmee niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 362 lid 2 Fw Pro juncto artikel 359 juncto Pro artikel 278 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (zie onder meer Hoge Raad 11 april 2008, LJN: BC2721) en artikel 3.2.5 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven, nu [appellant] en [appellante] binnen de hoger beroepstermijn hebben verzuimd een duidelijke omschrijving te geven van het verzoek en de gronden waarop het berust. Bovendien ontbreekt in het beroepschrift een petitum en is, reeds gelet op de aard van de procedure, een pro forma beroepschrift rechtens zonder meer al niet mogelijk. Ten overvloede stelt het hof ook nog vast dat, anders dan artikel 3.2.6 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven voorschrijft, door de advocaat van [appellant] en [appellante] niet de stukken uit de eerste aanleg bij het verzoekschrift zijn gevoegd noch nadien aan de griffie van het gerechtshof zijn toegezonden.
3.5.2. Dit leidt ertoe dat [appellant] en [appellante] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in het hoger beroep.
4. De uitspraak
Het hof:
verklaart [appellant] en [appellante] niet-ontvankelijk in het door hen ingestelde hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, Th.A. Pouw en J.H.Th. Veldman en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2012.