Belanghebbende stortte eind 2008 een bedrag van € 30.000 op een geblokkeerde lijfrentespaarrekening bij de D-bank, waarna dit in januari 2009 werd verdeeld over drie lijfrentedeposito’s. Het hof oordeelt dat de rekening waarop de storting in december 2008 plaatsvond een lijfrentespaarrekening is in de zin van artikel 3.126a Wet IB 2001. Hierdoor kan de storting niet in 2009 als aftrekbare uitgave worden meegenomen.
Belanghebbende ontving medio 2009 een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting 2008, die het hof kwalificeert als een bezitting in box 3. Ondanks dat deze teruggaaf te hoog was, leidt dit niet tot een vermindering van de rendementsgrondslag. Het hof wijst het beroep van belanghebbende af en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Het geschil betrof de fiscale kwalificatie van stortingen op lijfrentespaarrekeningen en de verwerking van voorlopige teruggaaf in de rendementsgrondslag. Het hof concludeert dat de wettelijke bepalingen strikt moeten worden toegepast en dat het griffierecht niet wordt teruggegeven.