In deze civiele arbeidsrechtelijke zaak staat de geldigheid en uitleg van een concurrentiebeding centraal. De werknemer trad in 2006 in dienst bij Coolworld met een concurrentiebeding voor drie jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Na diverse verlengingen en omzetting naar een contract voor onbepaalde tijd, beëindigde de werknemer zijn dienstverband in 2011 en ging hij aan de slag bij een concurrerend bedrijf, CoolEnergy.
Coolworld vorderde in eerste aanleg nakoming van het concurrentiebeding en betaling van boetes, terwijl de werknemer het beding wilde vernietigen of matigen. De kantonrechter matigde het beding deels, maar verklaarde het eerste verbod vervallen. Beide partijen gingen in hoger beroep tegen het vonnis in conventie, maar niet tegen het vonnis in reconventie.
Het hof oordeelde dat het concurrentiebeding rechtsgeldig was overeengekomen, ook na omzetting naar een contract voor onbepaalde tijd. De uitleg van het beding vond plaats volgens de Haviltex-norm, waarbij het eerste verbod niet ziet op het in dienst treden bij een concurrerend bedrijf, maar op het zelf beginnen of voeren van een bedrijf. De grieven van beide partijen faalden, en het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter. Coolworld werd veroordeeld in de proceskosten van het principaal appel.