Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 850229; rolnr. 12-8548)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met zes grieven en producties;
- de memorie van antwoord;
- het pleidooi;
- de bij fax d.d. 14 mei 2013 door mr. Verhaagh voornoemd toegezonden productie, die [geïntimeerde] bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.
3.De gronden van het hoger beroep
“ongelukje met de scooter”.
“vakantie 3 dagen, 10 uren”. Gevraagd naar de betekenis van deze vermelding heeft de raadsvrouw van Delphi bij pleidooi in hoger beroep aangegeven dat de ene keer minder en de andere keer meer dan tien uur per week werd gewerkt en dat het aantal van tien uur per week niet het streven was, maar naar het oordeel van het hof heeft Delphi daarmee haar standpunt dat [geïntimeerde] wekelijks structureel niet tien maar 7,15 uur heeft gewerkt, onvoldoende onderbouwd. Dat voornoemde 7,15 uur per week een berekend gemiddelde vormen van de door [geïntimeerde] feitelijk gewerkte uren doet daaraan niet af nu voorshands voldoende aannemelijk is dat Delphi van [geïntimeerde] verwachtte dat zij op het betreffende project 10 uur per week schoonmaakwerkzaamheden verrichtte. Het hof verwijst daartoe naar hetgeen hiervoor is overwogen. Tussen partijen bestond, naar het voorlopig oordeel van het hof, dan ook geen onduidelijkheid over het aantal door [geïntimeerde] wekelijks te werken uren, zodat de situatie waarop artikel 7:610b BW ziet in het onderhavige geval niet aan de orde is. De eerste grief faalt.