Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
- verklaarthet hoger beroep ongegrond,
- bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende ontving in 2007 een voorlopige teruggave van de algemene heffingskorting, die bij definitieve aanslag geheel werd teruggenomen omdat haar echtgenoot geen gecombineerde inkomensheffing verschuldigd was. De echtgenoot had een arbeidsgeschil met zijn werkgever, waardoor het inkomen over 2007 pas in 2011 werd uitbetaald.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en oordeelde dat het salaris in 2007 niet vorderbaar en inbaar was, zodat geen recht op verhoging van de heffingskorting bestond. Het hof bevestigde dit oordeel en verwierp het verweer dat de aanslag in strijd was met zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginselen.
Belanghebbende voerde aan dat het prepensioen/FPU-uitkering in 2007 wel vorderbaar was, maar het hof stelde dat dit afhankelijk was van voorwaarden die niet waren vervuld. Ook het beroep op onbillijkheid van overwegende aard (art. 63 AWR Pro) werd verworpen omdat dit uitsluitend aan de minister van Financiën toekomt.
Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees de vorderingen van belanghebbende af. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat belanghebbende geen recht heeft op verhoging van de gecombineerde heffingskorting omdat het inkomen van haar echtgenoot in 2007 niet vorderbaar en inbaar was.